Tagarchief: Twente

UT begint in 1999 met combinatie major- en minorstudie – Studenten in Twente krijgen ‘paradigmashift’ (1998, nr. 20)

Frans-van-Vught
Frans van Vught, 2015, foto via http://delacourcommunications.com/

IMG_0139

 

1998 20

DE NOODZAAK TOT VERBREDING VAN DE OPLEIDING IS HET MEEST ACUUT BIJ TECHNISCHE STUDIES + EEN ‘BREDE’ INGENIEUR IS IETS ANDERS DAN EEN INGENIEUR DIE VEEL VERSCHILLENDE VAKKEN HEEFT GEVOLGD

 

UT begint in 1999 met combinatie major- en minorstudie

 

Studenten in Twente

krijgen ‘paradigmashift’

 

Wie zich nu aanmeldt voor een studie in Twente zal tijdens zijn opleiding een half jaar lang worden ‘ondergedompeld’ in een discipline buiten het eigen vakgebied. Rector magnificus prof.dr. Frans van Vugt van de UT: ‘Als ingenieurs kennismaken met het denken buiten het technische domein is hun positie op de arbeidsmarkt beter.’

– Erwin van den Brink –

 

De auteur is hoofdredacteur van De Ingenieur.

 

Een ‘paradigmashift’, zo noemt rector magnificus prof.dr. Frans van Vught van de Universiteit Twente het moment waarop zijn studenten straks in hun derde studiejaar aan hun minor beginnen. ‘Zij krijgen verbreding door een half jaar lang onderdompeling in een geheel ander vakgebied dan de gekozen studierichting, een vakgebied dat zich kenmerkt door een andere wetenschappelijke traditie.’

Met ingang van het cursusjaar 1999/2000 zullen alle nieuwe studenten in Twente met het major/minor-systeem te maken krijgen. De ‘onderdompeling in het andere vakgebied’ moet in het geval van de technische studies ingenieurs opleveren die begrijpen waarom een niet-technisch opgeleide academicus een probleem soms anders benadert. Wellicht is het ook erg nuttig als alfa’s inzicht krijgen in de manier waarop technici een probleem aanpakken, maar volgens drs. W. van Velzen, directeur Wetenschappelijk Onderwijs van het ministerie van OC&W, ‘is de noodzaak tot verbreding van de opleiding het meest acuut bij de technische en bètastudies.’ Van Velzen zei dat tijdens het symposium, waarmee de Twentse universiteit onlangs het major-minor-model ten doop hield.

Een voorbeeld: iemand kiest de opleiding Chemische Technologie met in het derde jaar bijvoorbeeld de major Biomedische Technologie en de minor Medische Communicatie. De student kan echter ook kiezen voor Procestechnologie met als minor Financiële Planning. Van Vught onderstreept het belang van het tijdelijk (de minor duurt een half jaar en levert 21 studiepunten op) switchen van het technische naar het niet-technische domein: ‘Daarmee ondervang je het bestaande bezwaar van werkgevers.’

 

Geïsoleerd

Drs. J. Blankert, voorzitter van VNO-NCW, beaamt dat ‘het beantwoordt aan de wens van het bedrijfsleven om technici op te leiden die niet met twee linkerhanden staan als het gaat om bedrijfskundige en sociale aspecten.’ Volgens prof.dr.ir. Anthonie Meijers, die de KIvI-leerstoel Filosofie van Techniek en Cultuur in Delft bezet, moet het model er echter niet toe leiden dat de minor ten koste gaat van het bestaande onderwijs onder de noemer Wetenschap & Maatschappij in de technische studies en al helemaal niet ten koste van de techniek zelf. Bovendien, meent Meijers, is alleen sprake van een verbreding als de minor geen geïsoleerd stuk kennis blijft. ‘Een breed opgeleide ingenieur is iets anders dan een ingenieur die veel verschillende vakken heeft gevolgd. Het leren integreren van veelsoortige kennis in een ontwerp moet het hart van de ingenieursopleiding vormen.’

Van Vught: ‘Aan de eindtermen verandert ook geen syllabe. De ruimte voor de minor vinden we door de slack uit het curriculum te halen.’ Die tijd is bijvoorbeeld te winnen dankzij tele-leren, waarbij het onderwijs onafhankelijk wordt van een vaste tijd en plaats. Van Vught: ‘Wat wij willen met tele-leren is dat een student een paar keer per dag contact heeft met een docent. Dan krijg je onderwijs dat veel individueler is en meer op maat is gesneden dan het reguliere onderwijs. We krijgen individueel onderwijs met collectieve leermomenten. Daardoor ontstaat een grotere leereffectiviteit. Je krijgt verschillen in snelheid tussen studenten. Snelle studenten kunnen een bepaald cursusdeel nog een keer doen, maar dan met extra informatie.’ Het tele-leren kan op allerlei manieren; van het uitwisselen van e-mail tot videoconferencing.

De verbreding is volgens Van Vught nodig omdat het overgrote deel van de studenten later niet als wetenschapsbeoefenaar aan de slag gaat. ‘Naarmate het hoger onderwijs meer het karakter krijgt van een voorziening voor zeer velen, neemt dit aandeel toe.’ Universiteiten moeten studenten dus voorbereiden op deelname aan het ‘niet-wetenschappelijke’ arbeidsproces, aldus de rector magnificus. ‘Als je een keer in je studie hebt geleerd met een totaal ander conceptueel kader om te gaan, dan zit het leren hoe je iets anders moet leren in je leerroutine en dan is je positie op de arbeidsmarkt beter.’

Om aan de behoefte te kunnen voldoen gaat Twente de komende jaren ‘bijrichtingen’ ontwikkelen samen met buitenlandse universiteiten. Er moeten zo’n vijftig minors komen. Om te weten welke major-minor-combinaties op enig moment het best liggen in de arbeidsmarkt komt er aan de universiteit een panel met adviseurs uit het bedrijfsleven. De universiteit heeft hierover afspraken gemaakt met de werkgeversorganisatie VNO-NCW.

 

Flexibele propedeuse

Daarnaast voert de universiteit als onderdeel van het major/minor-systeem met ingang van het komende collegejaar ook de flexibele propedeuse in die angst onder instromende vwo’ers moet wegnemen dat zij op een eenmaal ingeslagen weg niet kunnen terugkeren. De studenten mogen voortaan aan het begin van dit basisprogramma, tot aan het einde van het eerste trimester, overstappen naar een andere opleiding zonder dat dit studiepunten kost. Hooguit ontstaat er wat studievertraging doordat eventueel gemiste basiskennis moet worden aangevuld.

Maar ook op een later moment in de studie is flexibiliteit ingebouwd. Straks mag de student ook een afstudeerrichting of major kiezen die buiten de gekozen opleiding ligt. De voorwaarde is wel dat die afstudeerrichting tot een verwante opleiding hoort. Van Vught: ‘Als onderling verwant beschouwen wij dan alle technische opleidingen zoals ook de niet-technische opleidingen verwant zijn.’

De vraag die bij dit alles rijst, is of de universiteit zich op deze manier niet laat leiden door de luimen van de markt. Van Vught gaat er prat op dat zijn universiteit door studenten als de beste is uitverkoren in een groot landelijk onderzoek van het NIPO in opdracht van het opinieweekblad Elsevier. Topambtenaar Van Velzen: ‘Een eigentijds invulling van academische vorming kan ook gelegen zijn in een krachtiger oriëntatie op de arbeidsmarkt. Het is onzin dat dit – zoals sommigen beweren – de universiteit uitlevert aan de commercie.’ Hij signaleert daarnaast dat landelijk gezien meer variëteit ontstaat tussen universiteiten. De ene universiteit zal meer de nadruk leggen op onderzoek dan de andere. Twente (‘de Ondernemende Universiteit’) profileert zich sinds jaar en dag als een academische omgeving waar jongeren ook een ondernemende attitude wordt bijgebracht.

 

Bachelor

Van Velzen pleit voor de landelijke invoering van een kandidaatsexamen na drie jaar. Met een ‘kandidaats’ op zak zou een student dan aan een andere universiteit zijn studie kunnen vervolgen. ‘Studenten die zich willen voorbereiden op promotieonderzoek kunnen dan voor een universiteit kiezen waar het desbetreffende onderzoek goed aangeschreven staat.’ Het gaat er dan wel om het kandidaatsexamen op alle universiteiten op hetzelfde moment te laten plaatshebben zodat overstappen met een deeldiploma daadwerkelijk mogelijk wordt.

Al met al gaat het in universitair Nederland de Angelsaksische kant op. In Groot-Brittannië en de Verenigde Staten bestaat immers het bachelor-mastermodel waarbij de bachelor-graad vergelijkbaar is met het geopperde ‘kandidaats’. De trend breidt zich momenteel als een olievlek over Europa uit. Volgens Van Velzen past de driejarige basisopleiding van de UT goed in deze ontwikkeling. Voor technische studies (vijf jaar) is de basisopleiding in Twente inderdaad drie jaar, voor andere (vierjarige) studies echter twee jaar.

 

 

(FOTO)

 

Prof.dr. Frans van Vugt: ‘Aan de eindtermen verandert geen syllabe.’

 

 

Renaissance van de technologie is aanstaande. Richard Kaehler, 1995, 16

thumb_richardkaehlerkivitsmbusinessschool_1024
‘We staan aan de vooravond van een nieuwe technologische fase op macroniveau’, prof. Richard Kaehler (Foto: Reinier van Willigen, Enschede)

1995, 16

TECHNOLOGEN MEER BETREKKEN BIJ MARKTSTRATEGIE + TECHNOLOGIE DRINGT DOOR TOT NIEUWE BEDRIJFSTAKKEN

 

Professor Richard Kaehler spreekt op KIvI-congres

 

Renaissance van de technologie

 

Professor Richard Kaehler, inleider op het KIvI-bedrijfskundecongres ‘Technology meets Business’ op dinsdag 31 oktober 1995 in Zeist, voorziet een renaissance van de technolo­gie. Volgens de dean van TSM Busi­ness School zal management de komende jaren veel meer in het teken komen te staan van technologie en kennis­verwer­ving.

– Erwin van den Brink –

 

De auteur is redacteur van De Ingenieur.

 

 

Technici zullen binnen be­drijven invloed heroveren ten koste van marktstrategen, juristen en accoun­tants. Want technologie is niet alleen de belangrijkste pro­duktiefactor, naast kapitaal en arbeid, maar technologie is tevens het produkt van de toekomst. Steeds meer bedrijven zullen zich louter bezighouden met het produce­ren en verkopen van kennis. Dat is de visie van de Amerikaanse professor Richard Kaehler, dean van TSM Business School in Enschede.

Dat lijkt bijna op vloeken in een tijd waarin iedereen het heeft over de klant en de markt, waarin technology-push is afgezworen ten gunste van market-pull. Er lijkt – in bestaande produktmarkten – juist een algeme­ne notie te zijn dat het belang van techno­logie afneemt. Commo­dities zoals auto’s en consumen­ten-elek­tro­nica worden emoti­oneel gepositio­neerd en vermarkt via prijs­stelling, maar niet op basis van techni­sche eigenschappen, want die zijn wereldwijd nagenoeg hetzelfde.

Kaehler: ‘Europa en de VS hebben zich de laatste jaren geconcentreerd op produktietechnologie. Dit in navolging van Japan­se technologiestrategie om in bestaande markten binnen te drin­gen met goedkopere produktietechnieken. Het strijdtoneel van de laatste twintig jaar was de produktie­technologie.’

Daarnaast is in de VS, de grootste onderzoeknatie ter We­reld in met name de defensietechnologie, duide­lijk gewor­den dat marktori­ntatie leidt tot een groter rendement van investeringen in onderzoek en ontwik­keling.

Kaehler: ‘Het is inherent aan de vooruitgang dat wanneer produkttechno­logie op een bepaald terrein volwassen wordt, men meer gaat zoeken naar mogelijkheden om de processen waarmee die produkten worden gemaakt, te verbeteren. Investeren in procesverbete­ring levert dan meer op dan investeren in produktvernieuwing. Alleen bij een technologische doorbraak begint dat proces weer van voren af aan.’

 

Levenscyclus

Marktonderzoekers zonder technische achtergrond stellen aan klanten vragen die slechts betrekking hebben op de beschikbare technologie en niet op toekomstige technologie. Dat frustreert technologie-ontwikkeling. Zouden technologen niet veel meer dan nu het geval is moeten worden betrokken bij marktonderzoek, bij het bepalen van markt­strategie?

Kaehler: ‘Ja dat is zo. Een van de technieken om die functione­le scheiding tussen marketing en R&D in bedrijven op te heffen is concurrent engineering. Het antwoord ligt in de scheidslijn tussen: wat is meer toekomstgericht en wat zijn de targets voor dit jaar. Toch denk ik dat er meer op de lange termijn wordt gedacht dan je vermoedt. En marktonder­zoe­kers die op de lange termijn denken, zijn veel nauwer ver­bonden met de technologische gremia in een bedrijf. Hoe je toekomsti­ge markten ziet, bepaalt hoe je R&D-geld inzet. Als je alleen een korte-termijnvisie hebt, zul je niet de produk­ten klaar hebben op het moment dat de markt daar rijp voor is. Maar wat de buitenwereld hoort, zijn de geluiden uit de ver­koopfunc­ties: hoe verkoop ik dit nu.’

‘Bedrijven en organisaties, maar ook bedrijfstakken, hebben een soort levenscyclus. Aan het begin staat steeds een grote techni­sche innovatie: de gloeilamp. Die leidt tot een marketingfase. Er ontstaat allerlei technologische spin off: de radiobuis, de beeldbuis. De markt raakt verzadigd. Het produkt wordt een ge­meen­goed. In die verdringings­markt met veel con­currentie gaat financi­le controle de boventoon voeren, met financiële instru­menten zoals schaal­ver­groting, budgette­ring en acquisities. Uiteinde­lijk moet dat leiden tot weer een technologi­sche doorbraak.’

‘Het is een grove generalisatie, maar we staan aan de vooravond van zo’n nieuwe technologische fase op macroniveau. Tot en met de jaren veertig, vijftig dicteerde de technologie-ont­wikkeling de vooruitgang. Daarna kwam het zwaartepunt te liggen op de marketing (massacommunicatie, massatransportsystemen) en daarna op kostprijsconcurrentie. Maar die cyclus doet zich, maar dan korter, ook voor op meso- en micro­niveau. Waar het ons om gaat is die fasen allemaal samen te laten vallen.’

 

Anders investeren

Kaehler: ‘In het proces van strategische planning dat in de jaren tachtig nogal populair werd, ontbrak technische planning. Er was vaak alleen een marketingplan en een financieel plan en soms een human-resourcesplan. Maar geen plan voor technologie-ont­wikke­ling.’

‘Het is tijd dat technologen technologie gaan pushen zoals marketingmensen marketing hebben gepusht en financiële mensen kostenbeheersing. In de VS doen technologen dat door het vraagstuk van de produktontwikke­ling op te lossen met methoden als concurrent engi­nee­ring. En het vraagstuk van kwali­teits- en kostenbeer­sing los je op door de voortbren­gingspro­cessen opnieuw te ont­wer­pen.’

Maar is vooral dat laatste niet eerder een instrument dat bij de financi­le fase hoort, omdat het kostenverlaging beoo­gt, dan bij een technologische renaissance?

Kaehler: ‘Ik denk van niet. Wat je in de VS zag, was dat finan­ciële mensen geen geld inves­teerden in het moderniseren van fabrieken. Ze gebruikten dat geld bijvoorbeeld voor overnames. Via die schaalvergroting konden ze de winsten verhogen en zo de aandelen op­waarderen. Een inge­nieur kijkt anders naar mogelijk­heden om kosten te besparen dan een accoun­tant. Hij wil de processen anders organiseren, waarvoor je vaak eerst moet investeren in trai­ning en uitrus­ting. Accountants proberen altijd te snijden in bestaande organisaties – het eerst in R&D en in adverteren – maar zijn huiverig voor inves­tering in verandering. Ik heb veel bedrijven in problemen gezien en dat was bijna altijd in de financi­ële fase. Ze gingen over de kop omdat ze niet herinvesteer­den.’

Dat alles neemt niet weg dat het ingenieurs zijn die zich laten bijscholen tot manager, maar dat er geen MBA’s zijn die na hun studie nog eens technische curricula gaan volgen aan een TU, waarbij komt dat de topmanagers steeds vaker eco­noom, accountant of jurist zijn en minder vaak ingenieur van huis uit.

Kaehler: ‘Ik geloof dat dit moet veranderen en het zal ook veranderen. Als je het erover eens bent dat zich in zo’n bedrijfscyclus verschillende fasen voordoen waarin mensen met specialisaties de boventoon voeren in het beleid, dan is het nu tijd dat technici meer dan voorheen de stra­tegie mede gaan bepalen. Overigens zie je dat er in Europese bedrijven vaak iemand op directieniveau verantwoordelijk is voor technologie. In de VS is dat doorgaans niet het geval.’

‘Het frappante is dat je technologie ziet binnendringen in bedrijfstakken waar die tot voor kort niet of nauwelijks een rol speelde. Kledingbedrijf Benetton bijvoorbeeld onderkent volledig het belang van technologie, namelijk informatietechnologie voor voorraad- en logistieke beheersing. Hetzelfde geldt voor de zakelijke dienstverle­ning: banken, verzekeringen en transport, waar voorheen vrijwel geen technici werkten.’

Dat het daarbij niet alleen gaat om nieuwe produktietechnologie, maar uiteindelijk ook om produkttechnologie, bewijst Japan, aldus Kaehler.

‘Japan heeft wereldmarkten veroverd met procesontwikke­ling, maar realiseert zich dat het nu ook aan produktont­wikkeling moet gaan doen. Ze kennen daar niet het fundamentele onderzoek zoals hier in Europa en in de VS. Dus hebben zij daar nu een omvang­rijk natio­naal onderzoekpro­gramma voor opgezet­.’

 

Het congres ‘Technology meets Business’ wordt door de KIvI-afdeling Bedrijfskunde georganiseerd samen met Berenschot, TNO, TSM Business School en Virtual Industry Clusters. Datum: dinsdag 31 oktober 1995, van 9.00-17.00 uur, hotel FIGI, Zeist. Kosten: f 650,- voor KIvI en NIRIA-leden, f 850,- overigen. Aanmelden bij KIvI-Congresbureau, antwoord­nummer 483, 2501 VB Den Haag, tel. (070) 391 98 90, fax (070) 391 98 40, E-mail kivibur@technet.iaf.nl.

 

 

 

 

 

(QUOTE BIJ PORTRET)