Tagarchief: Europa

Met brexit begint de normalisatie van het Verenigd Koninkrijk in Europa (Het Financieele Dagblad, 19 april 2017)

Zo staat het artikel in het FD:

HFD_20170619_0_009_018

Het artikel:

De gedwongen afstand van Nieuw-Guinea in 1962 markeerde het definitieve afscheid van ons koloniale verleden. Nederland zou voortaan een gewoon klein Europees land zijn en geen grote maritieme mogendheid. In 1948 was Indonesië onafhankelijk geworden en daarover was in de jaren daar aan voorafgaand steeds beweerd: Indië verloren, rampspoed geboren. Vandaar dat het Nederlandse gezag dacht na de Japanse capitulatie de draad gewoon weer te kunnen oppakken. De Wederopbouw suggereert dat ons land na de Tweede Wereldoorlog in puin lag, maar dat viel reuze mee. Het gevoel dat het wel zo was, kwam vooral door het afscheid van Nederlands Indië.

De Republiek was eigenlijk vanaf het begin van de achttiende eeuw al geen wereldmacht meer en het heeft ons dus al met al ruim 250 jaar gekost om aan dat idee te wennen en om na 1948 een nieuwe nationale identiteit te ontwikkelen. De Nieuw Guineakwestie was eigenlijk de laatste stuiptrekking van dat koloniale zelfbeeld en het mede door de Verenigde Staten afgedwongen afscheid er van pakte uit als een enorme opluchting. De relatie met de overzeese rijksdelen in de West was netjes geregeld in het Koninkrijks Statuut van 1953 en de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 verliep relatief probleemloos. De West heeft nooit die mythische betekenis gehad van de Oost, van Insulinde.

Eigenlijk zijn we in 1962 voor de tweede maal bevrijd, weliswaar wat tegenspartelend, door de Verenigde Staten. Onderwijl was Nederland via onder meer de explosieve groei van de Rotterdamse haven geparenteerd geraakt aan het Duitse Wirtschaftswunder en was het op aandringen van de nieuwe koningin een van de initiatiefnemers van de Europese samenwerking. Het heeft ons geen windeieren gelegd.

Groot Brittannië bevindt zich nog steeds in die koloniale afscheidsfase zoals de reactie in de Britse tabloidpers op de Spaanse claim op Gibraltar in het licht van Brexit toont: Laat de Royal Navy opstomen! Folklore mag wat kosten zoals de Britten hebben laten zien bij de herovering van de Falklands op Argentinië in 1982.

Toegegeven: Die Britse wereldmacht werd na 1700 veel groter dan die van ons ooit was geweest. Dat kwam doordat hun hegemonie vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw samenviel met de Industriële Revolutie die, letterlijk, immense hoeveelheden energie en arbeid ontketende en daarmee allerhande nieuwe technologie. Met stoommachines werden op ongekende schaal marineschepen en wapens geproduceerd, productie gemechaniseerd, spoorwegen en kanalen ontwikkeld, industriesteden gebouwd.

Als maritieme wereldmacht en industriële grootmacht hebben de Britten vanaf de achttiende eeuw gefungeerd als geopolitiek contragewicht op het Europese continent. De Britten zagen het al te machtig worden van een continentale mogendheid als een bedreiging van hun maritieme hegemonie. Britse ‘perfide’ diplomatie, wist ook De Gaulle, heeft het uit elkaar spelen van Europese belangen tot grote hoogte geperfectioneerd. Machtspolitiek in een verborgen agenda: dat is precies de reflex die Theresa May nu toont.

De fundamentele fout die zij maakt is dit eenentwintigste eeuwse probleem te lijf gaan met negentiende eeuwse diplomatieke middelen zoals dreigen met het terugtrekken van het Britse inlichtingennetwerk. De hele politieke retoriek suggereert dat de EU als een soort vreemde mogendheid met een bureaucratische bezettingsmacht het VK heeft veroverd. Alsof de Britten niet al die tijd onderdeel waren van die besluitvorming. Sterker: de hele geliberaliseerde interne markt is er na 1990 grotendeels dankzij hen gekomen.

Binnen Europa kun je niet met diplomatieke spitsvondigheden een exclusieve positie veroveren: er wordt net zolang onderhandeld tot de wederzijdse belangen volkomen transparant zijn en dan wordt een compromis gevonden.

De Britten zijn in 1973 niet uit overtuiging in het Europese project gestapt, zoals wij Nederlanders, maar om hun belangen veilig te stellen. Zij hebben naast de EU ‘hun’ Common Wealth. Ondanks hun Gemene Best en hun zetel in de Veiligheidsraad, zijn ze nu eindelijk op het punt beland waarop ze zozeer op zichzelf worden teruggeworpen dat ze zich alleen nog kunnen herdefiniëren als een normaal Europees land. De as Londen-Washington sinds de Koude Oorlog bestaat niet meer. De rol die het driehonderd jaar lang diplomatiek vervulde als geopolitiek contragewicht binnen de Europese machtsbalans bestaat niet meer sinds de toetreding van zeven voormalige Oostbloklanden tot de Europese Unie in 2004 (samen met Malta en Cyprus, twee voormalige Britse kroonkoloniën, en Slovenië – v.h. Joegoslavië). En dan heeft ook de bankencrisis van 2008 de rol die de City of London zich toe eigende als financieel centrum van de wereldeconome in een ander daglicht geplaatst.

Het maatschappelijk aanzien van banken is zwaar aangetast en het is niet ondenkbaar dat de block chain-technologie banken (en andere dienstverlenende intermediairs) grotendeels overbodig gaat maken. Het Verenigd Koninkrijk heeft vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw zwaar ingezet op een spilfunctie in de internationale geldeconomie en zijn industrie verwaarloosd.

Ondanks de dreiging van deze economische kaalslag meent Groot Brittannië zich te moeten bevrijden van een bemoeizuchtige Europese Unie waartoe het ooit bij zijn volle verstand toetrad na, nota bene tot tweemaal toe, door Frankrijk te zijn afgewezen. Waar het VK zich van moet bevrijden is de illusie dat er nog steeds een British Empire is.

Als het ooit echt onderdeel wil worden van de Europese Unie moet het een normaal Europees land worden. Europese samenwerking is vooral een normalisatieproces. Op andere wijze zitten ook de voormalige Oostblokstaten in zo’n normalisatieproces. Het VK lijdt in feite aan het ‘Hotel California-syndroom’: You can check out but you can never leave. Het is een illusie te menen dat met het verlaten van de EU een einde komt aan de ‘bemoeizucht van Brussel’. Het VK is geen schip dat het anker kan lichten en vertrekken.

Duitsland en Japan werden in de Tweede Wereldoorlog verslagen maar ze werden daarmee ook bevrijd van oude elites die deze naties hadden gegijzeld in een achterhaald zelfbeeld van superioriteit. Brexit brengt de Britten op een soortgelijk ‘Stunde Null’, als het verwoeste Duitsland ervoer na de capitulatie in 1945. Alles wat er eens was en dat altijd zo zou blijven, is er niet meer en nu moeten ze helemaal opnieuw beginnen. Het is een moment van ontluistering, maar ook van een hoopvol nieuw begin.

Brexit doet veel mensen beseffen dat Europa nog lang geen gelopen race is (FD, 2 januari 2017)

 

In Kinderen van de Arbat (1988) beschrijft Anatoli Rybakov hoe het communisme in de Sovjet Unie in de jaren dertig van de 20ste eeuw veranderde van een idealistische jeugdbeweging vol hoop en toekomstidealen in een gestold, orthodox en gesloten denksysteem en dus in een dictatuur. Gaandeweg verliezen ‘de kinderen’ — jongeren — in het boek hun illusies over een betere toekomst.

Joe Zammit Lucia trekt een parallel tussen de Sovjet Unie en de Europese Unie (FD 24 december 2016). Ook de EU ontstond als ideaal, om na de Tweede Wereldoorlog voor altijd de vrede te waarborgen. Het Europese enthousiasme werd toen gedeeld door brede lagen van de bevolking. ‘Europa’ is een uniek project, zonder enig historisch precedent. Soevereine landen besloten vrijwillig een deel van hun autonomie op te geven voor samenwerking. Het ontstaan van andere wereldmachten, ook de Verenigde Staten, ging gepaard met geweld. ‘Europa’ moest oorlog uitbannen.


 

Maar ook het Europese project is gaandeweg verstard tot een gesloten denksysteem waarin er maar een enkele weg vooruit is en dat is: Meer Europa. Het was ooit een breed gedragen beweging. Dat is het al lang niet meer. Dat is niet wat de stichters beoogden. Het verenigen van Europa zou een lang zoekproces zijn. Er was geen blauwdruk. De stichters, wisten dat ‘Europa’ verdiend moest worden bij de burgers.

De Europese besluitvorming bij unanimiteit leidde vaak tot cryptische compromissen zozeer dat tegen de tijd dat in de lidstaten het besef doordrong van de reikwijdte van die besluiten, de gevolgen er van al niet meer konden worden teruggedraaid. Dat ondermijnde het vertrouwen bij de burgers en als reactie daarop raakte de Brusselse bureaucratie steeds meer in zichzelf gekeerd.

Maar de vergelijking tussen de EU en de Sovjet Unie gaat op een aantal punten mank. De Sovjet Unie kwam tot stand door een staatsgreep van Lenin en was een ahistorisch en utopisch project. In de praktijk kwam Sovjetisering, de komst van de Nieuwe Mens, toch vooral neer op Russificatie — van bijvoorbeeld de Baltische staten. Het afschaffen van tradities kwam neer op vergeefse pogingen die uit te roeien, het meest notoir via de collectivisatie van de landbouw. Het Russische onkruid bleef opspringen uit de barsten in het Sovjetbeton dat na zeventig jaar verkruimelde.

De EU is nadrukkelijk gestart als een bescheiden project dat mogelijkheden aftast. Toen het onbestemde ideaal verstarde tot economische orthodoxie, staken de burgers daar per referendum een stokje voor. Een Europa dat slechts economische belangen dient, daar vatten burgers als het even tegen zit geen liefde voor op zoals voor hun vaderland. Dat is de fout van de eurocraten.

De brexit is hun falen, maar tegelijkertijd is deze crisis misschien juist Europa’s ‘finest hour’, een ‘blessing in disguise’. Het doet veel mensen beseffen dat Europa geen gelopen race is en dat het ook zomaar opeens klaar, over en uit kan zijn. Sindsdien heeft Europa weer aan populariteit gewonnen. De onverschilligheid van Londense hoogopgeleiden om niet ‘bremain’ te stemmen, omdat ze dachten dat het zo’n vaart niet loopt, is afgestraft. Onder het Europese beschavingsvernis gaan nog altijd oorlogsherinneringen schuil, die zomaar de kop opsteken zoals het anti-Duitse sentiment in Griekenland. Het kan allemaal kapot gaan.

 

Dat we ons kapot zijn geschrokken, dat is winst maar daarmee is Europa nog niet gered. De vorming van natiestaten vanaf het begin van de 19de eeuw behelsde vooral de vorming van een nationale identiteit, een gedeeld narratief. Dat aanwakkeren van een gevoel van saamhorigheid was vooral in handen van schrijvers, schilders en historici: de scheppende beroepen, de verhalenvertellers.

Van de drie kernwaarden van de Franse Revolutie heeft Europa vooral vrijheid en gelijkheid juridisch vormgegeven. Broederschap, dat gevoel van verbondenheid en gedeelde identiteit, daar is veel moeilijker de vinger op te leggen en dat is ook geen zaak van politiek en ambtenarij.

Europa, dat zich uitstrekt van de Atlantische Oceaan tot aan de Oeral en de Kaukasus, vanaf de Noordkaap tot aan de Middellandse Zee, wordt al meer dan 2000 jaar bijeengehouden door draden die de geschiedenis heeft geweven tussen landen en streken. Opvallend genoeg kunnen vooral Britse historici gepassioneerd schrijven over Europese geschiedenis.

Zulke verhalenvertellers kunnen helpen bij het vormgeven van dat onbestemde ideaal Europeaan te zijn. Maar verhalen vertellen in deze tijd van sociale media waarin iedereen kris kras door Europa reist, kan iedereen. Dus laten wij Kinderen van de Arbat worden.

Erwin van den Brink is publicist.

Hier het artikel uit het FD: Brexit doet veel mensen beseffen dat Europa nog lang geen gelopen race is _ Het Financieele Dagblad

Hoe verder na Brexit: Vervang mcjobs door detailnijverheid (Het Financieele Dagblad, 20 augustus 2016)

De nieuwe kenniseconomie heeft ‘de onderkant’ niets opgeleverd

 

Vervang mcjobs door detailnijverheid

 June 19, 2016. PHOTO: REUTERS/HANNIBAL HANSCHKE http://s1.ibtimes.com/sites/www.ibtimes.com/files/styles/embed/public/2016/06/19/brexit.jpg
Two activists with the EU flag and Union Jack painted on their faces kiss other in front of Brandenburg Gate in Berlin to protest against the British exit from the European Union,

 

Zestig procent van de bewoners van de Midlands, het oude industriële hartland van Groot Brittannië, stemde voor uittreding uit de EU. In de regio Londen stemde zestig procent juist voor blijven. Daarom heeft Theresa May het aanpakken van de sociale tweedeling tussen de financiële elite in Londen en de verarmde industriegebieden prioriteit gemaakt..

 

Maar er dient zich een kans aan voor een industriële renaissance. Niet alleen omdat de financiële economie hevig heeft teleurgesteld, maar vooral omdat de reële economie steeds meer fabricagetechnologie ontwikkelt om de ooit naar Azië verdwenen maakindustrie terug te halen: reshoring. Dankzij machines zoals 3D-printers. De Britse economie gaat meer lijken op de Duitse. Zo zal het Verenigd Koninkrijk naar Europa terugkruipen.

 

Daarom is het met Tweede Kamerverkiezingen in aantocht goed eens na te denken over onze economische koers. Wij deelden met de Britten en Amerikanen een buitenproportioneel grote financiële sector en een voorliefde voor de vrije markt en de kenniseconomie. De modieuze pleitbezorgers van deze kenniseconomie waren in de jaren 1990 onder anderen Michael Porter, George Solow en Paul Romer.

 

Wat deze ook aan vernieuwing heeft opgeleverd, in elk geval bar weinig nieuwe werkgelegenheid. Online taxidienst Uber geeft daarvan misschien wel de beste illustratie. De innovatieve bedenkers worden er schathemelrijk mee, maar de chauffeurs van Uber betalen het gelag. Voor de consument zijn de dalende prijzen een zegen. Maar ze betekenen ook dalende lonen.

 

Veel van die mensen werkten voorheen in de industrie. In een matig betaalde vaste baan met een bescheiden pensioen weliswaar, maar ze hadden in elk geval bestaanszekerheid. Wie toen in de avonduren blokte voor een diploma van de bedrijfsvakschool, lts, mts of hts, kan nu volstaan met een rijbewijs waarmee iedereen met iedereen concurreert.

 

Een industriële renaissance is de remedie tegen deze race naar de bodem en creëert perspectief in de voormalige industriegebieden, de Midlands en de Rustbelt in de V.S waar Donald Trump zijn aanhang heeft. Dat bedoelt Theresa May met ‘A country that works for Every One’. Want dat is kennelijk niet het geval geweest sinds Margareth Thatcher in de jaren 1980 de macht van de vakbonden in de oude industriegebieden brak.

Brussel heeft de euroscepsis gevoed door het Europese project in het teken te stellen van deze nieuwe economie. De kenniseconomie mist tot nu toe het ‘trickle down’-effect. Ze creëert nauwelijks banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar met de 3D-printer en alle geïnformatiseerde machines die zullen volgen krijgt de ambachtsman gereedschap waarmee hij in prijs en kwaliteit kan concurreren met Aziatische productie. Wil dit idee aanslaan, dan moeten we afscheid nemen van het paradigma van de postindustriële samenleving.

Al in 1984 uitte de gelauwerde econoom James Tobin daarover zijn twijfels:

…we are throwing more and more of our resources, including the cream of our youth, into financial activities remote from the production of goods and services, into activities that generate high private rewards disproportionate to their social productivity.

Hij zei er bij dat hij dit empirisch niet goed kon onderbouwen. Maar in 2012 ondernamen drie medewerkers van het IMF, Jean-Louis Arcand, Enrico Berkes and Ugo Panizza, daartoe een serieuze poging in een werkdocument met de veelzeggende titel Too Much Finance? Volgens hen manifesteren de negatieve effecten op economische groei zich duidelijker naarmate de kredietverlening aan particuliere bedrijven de honderd procent van het bruto binnenlands product nadert. De landen die daar in 2006 (dus voor de bankencrisis) op of overheen zaten zijn IJsland, de V.S. Groot Brittannië en Nederland onder meer. Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Italië hadden een relatief kleine financiële sector.

De tegendraadse Ierse financieel journalist Eamonn Fingleton voert al jaren een kruistocht tegen de ideeën van economische mastodonten zoals Michael Porter en Paul Romer, en tegen alle andere adepten van de nieuwe kenniseconomie zoals John Naisbitt (auteur van Megatrends) en de publicist Jeremy Rifkin die de Europese Commissie adviseert. In zijn boek In Praise of Hard Industries – why manufacturing, not the information economy is the key to future prosperity (1999) fulmineert Fingleton tegen wat hij het postindustrialisme noemt.

De industriële aftakeling in het Verenigd Koninkrijk – maar ook in de Verenigde Staten begon in de jaren 1970 met de import van auto’s en elektronica, textiel, uit Azië. Fingleton stelt dat landen als Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland die hun maakindustrie zijn blijven koesteren, beter presteren in groei, werkgelegenheid en levensverwachting. Deze landen volhardden in weerwil van de heersende neoliberale tijdgeest stug in hun dirigistische en soms protectionistische industriepolitiek.

Fingleton voorspelde het barsten van de dotcombubble in 2000 en schetste ook profetisch hoe de combinatie van steeds ingewikkelder software en financiële deregulatie zou leiden tot een financiële sector met ondoorgrondelijke producten die zichzelf zou opblazen. Het boek eindigt met een soort actieplan voor een industriële renaissance dat niet overtuigt omdat toen, in 1999, de technologie nog niet bestond die bij uitstek geschikt is om het maken van spullen terug te halen uit Azië.

De 3D-printer bestaat voor zeker de helft uit informatietechnologie dus daarmee is Fingletons aanname gelogenstraft dat het met die informatie-economie nooit wat wordt. Maar hij heeft in zoverre gelijk: IT kan nu eindelijk op huiskamerniveau worden gekoppeld aan maakmachines die production-on-demand mogelijk maken tegen tarieven die passen binnen een gezinsbudget en waarvan de investering valt te dragen door het kleinbedrijf. Deze detailnijverheid, deze industriële schaalverkleining, biedt werk aan de voormalige industriearbeider of diens kinderen of kleinkinderen want zolang duurt de industriële teloorgang al. Ze noemen zich digital artisans of in het Frans artisans numeriques; digitale ambacht- of handwerkslieden. Hier, Theresa May, ligt de sleutel voor ‘A country that works for every one’.

Wij moeten weer leren verlangen naar Europa

 

 

krant-20160702-0-018-036
Artikel in het Financieele Dagblad van zaterdag 2 juli 2016

(Klik hier voor de PDF: krant-20160702-0-018-036)

Mijn vader vertelde mij eens dat ik er eigenlijk niet had behoren te zijn. Dat was omdat hij zelf de Tweede Wereldoorlog ternauwernood had overleefd. Daarna had hij mijn moeder leren kennen met wie hij ons gezin stichtte. En dat ervoer hij als een godswonder. Hij leefde, vond hij, op extra tijd die hij had gekregen: Op uitstel van de dood. Hij had namelijk de Slag om Berlijn meegemaakt. Hij had voor de dagen van de Val van Berlijn gevangen gezeten in het kruisvuur tussen Duitsers en Russen waarbij hij veel mensen die hij kende had zien sneuvelen: Nederlanders, Fransen, Belgen en …Duitsers. Voordien overleefde hij de geallieerde bombardementen op de fabrieken waar hij en anderen dwangarbeid verrichtten.

Alhoewel hij als achttienjarige was opgepakt en op transport was gesteld om te werken in de Duitse oorlogsindustrie, was hij mild en vergevingsgezind jegens Duitsers. Ik leerde pas waarom toen ik op zolder in zijn oorlogskoffer een schriftje vond waarin foto’s waren geplakt die hij in Duitsland had gemaakt met een camera die hij ergens had gevonden. Op een van die foto’s staat mijn vader voor een huis naast een vrouw en er onder staat geschreven: ‘Meine Pflegemutti’. Deze Duitse vrouw had zich over mijn vader ontfermd en hem in huis genomen. Zij wist dat de zoon van de koster van de parochiekerk die zij bezocht, was gelegerd in IJmuiden, vlakbij Haarlem waar mijn vader vandaan kwam. De brieven die mijn vader aan zijn ouders schreef, gaf Pflegemutti aan de koster die ze via de Duitse veldpost aan zijn zoon stuurde. Die zoon, een Duitse soldaat, bracht die brieven op zondag, tijdens zijn verlof. Lopende. Van IJmuiden naar Haarlem. Twee uur heen, twee uur terug.

Ook toen in Duitsland het beest van het Nazisme huishield, waren er in dat land veel mensen die hun moreel kompas behouden hadden. Die niet dapper genoeg waren om een aanslag op Hitler te beramen, maar die wel een minderjarige Nederlandse dwangarbeider in huis namen en zorgden dat hij contact hield met zijn ouders.

We dachten dat we dit duister voorgoed achter ons hadden gelaten en dat wij voortaan zouden leven in het licht van de Europese samenwerking: de vrede voor onze tijd. Maar nu lijkt dat beest toch weer de kop op te steken en het is belangrijk ons een idee te vormen hoe het toch weer zover heeft kunnen komen.

Nationalisme (in zijn negatieve connotatie) als wegbereider van het fascisme, een ideologie die teert op alleen maar vijandbeelden, vindt de krachtigste voedingsbodem in een burgerij, een middenklasse, die teleurgesteld is geraakt in zijn legitieme volksvertegenwoordigers. Vroeger heetten zij ‘voormannen’. Zij konden een achterban aan zich binden met een verhaal dat lotsverbetering beloofde en ook daadwerkelijk leverde, weliswaar in kleine stappen maar wel als blijvend resultaat. De AOW is in Nederland daarvan misschien wel het belangrijkste voorbeeld.

In die Rijnlandse economie, de Duitse Soziale Marktwirtschaft van na de oorlog kon je je voor argumentatie altijd laven in het linkse en in het rechtse kamp, als je het ergens niet mee eens was. Er was een hybride gelijk. Er was water in de wijn. Er was een alternatief dat perspectief bood. Na de ineenstorting van het communisme in 1990 is de linkse argumentatie verstomd. Er was doodeenvoudig geen antithese meer. Er heerst sindsdien asymmetrie in het ideologische debat. Premier Kok, de laatste representant van de oude sociaal democratie, wierp zijn ‘ideologische veren’ af.

De publieke zaak, de ambtenarij, werd gereduceerd tot een normale bedrijfstak. Net als de politiek zelf. Gekenmerkt door gebrek aan ideeën, idealen, door gebrek aan loyaliteit en een overmaat aan opportunisme. Politiek ingaan is vaak een carrière-optie, een investering in jezelf. Een plek voor ambitieuze passanten. In dat licht is ook de kritiek te verklaren op de ‘riante’ wachtgeldregeling voor politici. Het is gewoon een vak en iedereen wordt tegenwoordig ‘zomaar’ ontslagen dus wat zeuren ze nou!

De marktwerking, het marketingdenken, dicteerde dat politici vooral goed naar hun kiezers moesten luisteren. De Britse premier Cameron is een toonbeeld van die verzakelijking. Een voormalig communicatieadviseur, die de politiek ziet als een bedrijfstak, de Conservatieve Partij als een bedrijf dat door eurosceptici in de fik is gestoken en hij zal dat brandje even blussen met een emmer water, een referendum. Daar blijkt alleen benzine in te zitten. Een ‘casus’ van ‘mismanagement’. Een inschattingsfout.

De markt is de maat der dingen geworden. Het equilibrium. De natuurlijke zijnstoestand nadat de anomalie van het communisme zichzelf had opgeheven. Dat het kapitalisme eveneens een ideologie is, in orthodoxie en starheid het spiegelbeeld van het communisme, even verlammend, dat legt de Britse politiek filosoof John Gray uit in zijn boek False Dawn.

Dat de ‘lower middle class’, de politieman en de onderwijzer, in Engeland het Brexit-referendum heeft gebruikt om zich tegen de Eton-elite te keren, heeft niet zozeer te maken met een anti-Europagevoel, het heeft te maken met het uithollen van de verzorgingsstaat, het hopeloze adagium van ‘eigen verantwoordelijkheid’, de cynische flexibilisering van alles en iedereen, maar vooral het ontbreken van een hoopgevend, meeslepend verhaal waarmee mensen zich willen verbinden.

En de ‘Europese’ elite heeft die emotie niet geadresseerd. Wij hebben een kwarteeuw achter de rug waarin rechts denken volledig uit de bocht is gevlogen bij gebrek aan enige betekenisvolle linkse beteugeling. Dat mogen zowel links als rechts zich aantrekken. Het midden, de lower middle class, de kleine burgerij, die is er tussen vermalen en haalt nu zijn gram via populisme en Brexit.

Waar wij naar snakken is een visionair, verbindend verhaal. Zoals Antoine de Saint Exupéry schreef in De Kleine Prins: ‘Als je wilt dat mensen een schip bouwen, begin dan niet met hen hout te laten verzamelen en ze werktaken toe te delen, maar laat hen eerst verlangen naar de oneindigheid van de zee.’

Kapitalisme is protestantisme. Dat is waar de Grieken en de Paus tegen ageren

protestantisme_kapitalisme
Artikel in Het Financieele Dagblad/FD 11 juni 2016, Essay (Opinie)

 

Klik hier voor de PDF:     protestantisme_kapitalisme

 

 

De Griekse premier Alexis Tsipras, een communist, heeft een machtige medestander in zijn kritiek op het kapitalisme: Paus Franciscus. Nieuw is die katholieke weerzin tegen het kapitalisme niet want ‘de geest van het kapitalisme’ is, zoals de Duitse socioloog Max Weber bijna een eeuw geleden heeft uitgelegd, niets anders dan ‘de ethiek van het protestantisme’. Onder leiding van de domineesdochter Angela Merkel is Europa doordrenkt met dit protestantse ethos en dat stuit op groeiend verzet in de katholieke en de christelijk-orthodoxe wereld. Vooral nu Italië met meer publieke uitgaven de Duitse doctrine aan zijn laars lapt – en dat de economie lijkt aan te zwengelen – is de vraag hoelang het economische protestantisme nog houdbaar is.

 

De afkeer in de katholieke – en orthodoxe – wereld van het protestantse ethos werd zaterdag 23 april goed verwoord door Olivier Blanchard in het interview dat Marcel de Boer met hem had. Blanchard, hoofdeconoom van het IMF ten tijde van de schuldencrisis in 2012, is Fransman. En Frankrijk is ondanks de laïcité een nadrukkelijk niet-protestants land. Het is even niet-katholiek als Turkije niet-islamitisch is. Zonden kun je vergeven. ‘Maar’, merkt Blanchard bitter op, ‘in plaats daarvan was het verhaal vanuit Duitsland: jongens jullie hebben gezondigd, jullie moeten je schulden afbetalen en wij willen er verder niets over horen.’ Het klinkt een beetje als het adagium van de zakenman Bul Super uit de stripreeks Olivier B. Bommel van Marten Toonder: ‘Zaken zijn zaken’.

 

Die calvinistische rechtlijnigheid tegenover katholieke plooibaarheid, het Europese zakenleven is er van doortrokken. Je leest het in het boek De Prooi van Jeroen Smit als het gaat om de overnamepoging door ABNAMRO van de Italiaanse bank Antonveneta. Je proeft het in de krantenkolommen als het gaat over Air France en ‘onze’ KLM, die het geld verdient dat de Fransen verbrassen – dat is het sentiment althans.

 

Maar de Europese samenwerking begon als een initiatief van (katholieke) Duitsers en Fransen uit het Elzas-Reinland/Alsace-Lorraine: Konrad Adenauer, Robert Schuman en Jean Monnet, samen met Belgen, Luxemburgers, Italianen en Nederlanders. Deze katholieke politici grepen voor de vormgeving van de Europese samenwerking terug op het corporatisme, dat inrichting van de economie nastreefde zoals die was voor de Reformatie. In deze gildensamenleving werden tarieven en toegang tot markten via overleg geregeld. Markten waren niet vrij.

 

In Nederland kreeg het corporatisme, de ‘katholieke’ cultuur om directe confrontatie te vermijden, om de ‘zaken te plooien’, vorm in de Wet op de Publiekrechtelijke Bedrijfs Organisatie (PBO) – bedrijfschappen, productschappen en landbouwschappen, die pas begin 2015 buiten werking zijn gesteld; de SER is er het laatste rudiment van. De PBO, tegenwoordig zouden we dat een centraal geleide economie noemen.

 

Het corporatisme in de sociaal-economische besturing van Nederland na de Tweede Wereldoorlog heeft vooral geholpen het conflict tussen de zuilen te dempen, met name tussen de katholieken en de overige stromingen. Nederland bevond zich zeker in die jaren van het ‘Rijke Roomse Leven’ op het breukvlak van de protestantse en de katholieke wereld. Het corporatisme hielp bij wat Arend Lijphart ‘de pacificatie van de Nederlandse politiek’ noemt.

Het is dus heel begrijpelijk dat ook de initiatiefnemers van de Europese samenwerking teruggrepen naar het corporatisme – het aan ‘publieke lichamen’, zoals een Hoge Autoriteit (later de Europese Commissie), delegeren van prijsafspraken tussen landen over industriële productie: de EGKS (de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal), de Landbouwgemeenschap en de EEG (de Europese Economische Gemeenschap). Dat was, gezien hun achtergrond, immers de meest voor de hand liggende manier om conflicten vreedzaam op te lossen.

 

Na de succesvolle Europese Commissies onder leiding van de Fransman Jacques Delors (1985-1995) heeft de Commissie na de Duitse eenwording gestaag terrein prijs gegeven aan de Raad van Regeringsleiders. Daar worden tijdens een ‘Europese top’ tegenwoordig de knopen doorgehakt onder leiding van Duitsland: over schulden, over vluchtelingen. De Europese Unie van nu is minder communautair (de moderne, Europese term voor corporatistisch) dan vroeger en meer intergouvernementeel onder aanvoering van Duitsland. En dat steekt in het zuiden.

 

Maar het protestantse ethos stuit nu op formidabele krachten. De geldverruiming door de ECB, onder leiding van de Italiaan Mario Draghi, die zoveel wrevel opwekt in Duitsland, staat niet op zichzelf. De Griekse communist Tsipras is een representant van de christelijk-orthodoxe wereld die zich vanaf de noordelijke Balkan uitstrekt over zuid-Oost-Europa en het katholicisme is oppermachtig in Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, Oostenrijk, Polen en Zuid-Duitsland. Samen vormen ze nu een front tegen de geest van het protestantisme.

 

Bij hun zijn zaken geen zaken. Schuld heeft in Zuid-Europa in metafysische zin een andere betekenis. Het is niet alleen de boete die je tot elke prijs moet voldoen als straf voor het zwichten voor verleiding, maar ook de zonde waarvoor de biecht vergiffenis, kwijtschelding, schenkt.

 

Zakelijkheid krijgt volgens Frank Boll (FD 23 april) gestalte in het eigendomsrecht dat een wezenskenmerk is van het kapitalisme. Maar deze voor het economisch verkeer wezenlijke rechtszekerheid blijft uiteindelijk onderworpen aan de toets der rechtvaardigheid. Bij katholieken is het particulier eigendom, dus ook van een vordering, binnen grenzen van redelijkheid en billijkheid eerder ondergeschikt aan het gemeenschappelijk of algemeen belang dan het geval is bij protestanten.

 

Omdat prijsopdrijving in het onroerend goed het woonrecht schendt van woningzoekenden, billijkte de rechter onder bepaalde omstandigheden het ‘kraken’ van panden, dus schending van het eigendomsrecht. Niet voor niets is betaalbare huisvesting een van de beleidsspeerpunten van de nieuwe Londense burgemeester Sadiq Kahn. Het eigendomsrecht heeft van deze stad een beleggingsobject voor buitenlandse superrijken gemaakt.

 

Op die manier is altijd kritiek is geweest op de vrije markteconomie. Amsterdam wordt in het algemeen beschouwd als de bakermat van het moderne handelskapitalisme vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw. De term kapitalisme is overigens bedacht door (Duitse) anarchisten en communisten in de negentiende eeuw en kreeg vooral polemische betekenis door het werk van Karl Marx. Maar het was juist het economische anarchisme, het bonanzakapitalisme, waar de bestuurders van Amsterdam al vrij snel paal en perk aan stelden met markttoezicht, een beurswaakhond, regels en beperkingen.

 

Het protestantse, burgerlijke ethos, creëerde een verpletterend succesvol systeem voor materiele vooruitgang, het economische liberalisme ofwel ‘kapitalisme’. Op de Reformatie volgde de Verlichting en die bracht het communisme voort. Het protestantisme ergo kapitalisme baarde zelf zijn eigen antithese. En nu die op de vuilnisbelt van de geschiedenis is beland, ontwaakt die aloude pre-reformatorische denkwereld weer.

 

Schuld aangaan is daarin niet per se alleen maar slecht, boetewaardig. Je kunt er mee financieren. Daarom rebelleert de Italiaanse minister van financiën Pier Carlo Padoan (voormalig hoofdeconoom van de OESO) tegen het spaarzame ‘Duitse Europa’. Italië begint daarmee uit het dal te klimmen. Om zijn gelijk te bewijzen heeft het een machtige coalitie van katholieke en orthodoxe staten achter zich.

Vluchtelingen: brandstof voor de Duitse groeimotor (FD Opinie, 10 september)

 

 

Hoezo ‘Vluchtelingencrisis’? Het is goed om nog eens in herinnering te roepen dat de Gouden Eeuw voor een groot deel te danken is geweest aan politieke vluchtelingen: Portugese joden, Franse hugenoten, om maar een paar bekende categorieën te noemen.

Vlak ook de Vlaamse lakenkooplieden niet uit, en allerlei andere ‘economische opportunisten’ die in het hier heersende liberale klimaat ondernemingskansen roken.

Daar hebben we toch een hoop plezier van gehad. ‘Waar is toch VOC-mentaliteit?’ Weet u nog? Wat dat betreft is er weinig liberaals aan de liberalen van dit moment.

Het humanitaire sentiment, die golf van compassie, zal wegebben en om daarna de stroom migranten het hoofd te bieden is een nuchtere aanpak nodig. De Duitse regering heeft dat goed begrepen. Zij maakt van deze nood een deugd. Zij kijkt verder dan haar neus lang is. Het land is de groeimotor van Europa en heeft zeshonderdduizend vacatures. Duitsland vergrijst. Voor de asielzoekers die het nu opneemt geldt grosso modo: het zijn de meest kans- en initiatiefrijken. Ze hebben geld, connecties, opleiding en durf en ze weten wat ze willen: verder met hun leven. Arm Syrië! Arm Eritrea!

Immigratielanden zijn altijd succesvoller geweest. Natuurlijk is geen enkele samenleving van elastiek en zijn er grenzen aan de opvangcapaciteit. Of misschien kun je beter zeggen: aan het tempo waarin een maatschappij nieuwkomers kan opnemen. Maar Duitsland heeft een begrotingsoverschot en investeert zes miljard in de opvang van vluchtelingen, ergo in de arbeidsmarkt, ergo in zijn economische toekomst.

Behalve de krappe arbeidsmarkt is er nog een reden waarom men in Duitsland kennelijk het hoofd weet koel te houden. Na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn kwam een grote binnenlandse migratie op gang. West-Duitsland slaagde er in de failliete DDR te integreren. Natuurlijk kun je Oost-Duitsers niet vergelijken met Syriërs, maar onderschat niet de mentale kloof die gaapte (en nog steeds gaapt!) tussen oost en west en onderschat niet het Oost-Duitse ressentiment dat de kop op stak toen de ossies kennismaakten met de minder fraaie kante van het westen.

Duitsland is historisch gezien goed gepositioneerd voor het tackelen van de huidige situatie, niet alleen omdat het land zich moreel verantwoordelijk voelt vanwege de Tweede Wereldoorlog, maar ook omdat het voor wat nu gebeurt al eens een generale repetitie heeft gehouden, een grote brandblusoefening, namelijk het opnemen van een compleet buurland.

In Duitsland hebben bestuurders dus een perspectief dat diametraal staat op dat van de Nederlandse regering. Hier heeft niet alleen een humanitaire ramp plaats, hier ligt ook een geweldige kans. Om het te duiden in termen van merkbeleving en country marketing: die vluchtelingen zijn have en goed kwijt, behalve hun smartphone. Mobiele telecommunicatie en social media zijn bij uitstek de technologie om massa’s die op drift zijn zichzelf te laten organiseren: Spread the word! We want to go to Germany.

Als ik François Hollande was zou ik me toch ernstig zorgen maken. Of ze willen naar Groot Brittannië of naar Duitsland. In Frankrijk en andere Zuid-Europese landen neemt het aantal spookdorpen alleen maar toe.

Natuurlijk zijn ook veel vluchtelingen getraumatiseerd, depressief, eenzaam. Maar dit glas is behalve half leeg ook half vol: het zijn mensen die de vrijheid proeven en zich eindelijk veilig weten en dat ontketent bij hen een enorme energie. Het grootste gevaar is dat Nederland hun talenten niet weet aan te boren.

(Dit stuk verscheen op de opiniepagina van het Financieele Dagblad op 10 september)

VOLGENS PROF.DR. STEVEN PINKER OVERWINT HET GOEDE IN DE SAMENLEVING ‘Oorlog is op zijn retour’

Steven Pinker is the Johnstone Family Professor of Psychology and a Harvard College professor and he is the author of the new book, "The Better Angels of Our Nature: Why Violence has Declined." He was photographed in front of William James who he calls his heroe. He has quoted him in every one of his books. Rose Lincoln /Harvard Staff Photographer
Steven Pinker is the Johnstone Family Professor of Psychology and a Harvard College professor and he is the author of the new book, “The Better Angels of Our Nature: Why Violence has Declined.” He was photographed in front of William James who he calls his heroe. He has quoted him in every one of his books. Rose Lincoln /Harvard Staff Photographer

48_51_ING12_Interview

 

[STEMPEL SPECIAL DEFENSIE 2050]

 

 

Het Interview

 

 

tekst erwin van den brink

 

 

VOLGENS PROF.DR. STEVEN PINKER OVERWINT HET GOEDE IN DE SAMENLEVING

 

‘Oorlog is op zijn retour’

 

Met de vooruitgang en toenemende beschaving wordt de kans op een grote oorlog steeds kleiner, stelt experimenteel psycholoog prof.dr. Steven Pinker. ‘Ik stel nadrukkelijk niet dat er nooit meer een grote oorlog zal kunnen ontstaan, maar de historische statistische trend valt niet te ontkennen’.

 

Het dagelijkse nieuws geeft de indruk dat de wereld steeds gevaarlijker en gewelddadiger wordt. Het tegendeel is echter het geval, stelt experimenteel psycholoog prof.dr. Steven Pinker. ‘Oorlog en geweld zijn op hun retour en niet pas sinds kort, maar al duizenden jaren.’

De hoogleraar aan de Amerikaanse Harvard University baseert zich op talloze bronnen van andere wetenschappers, onder wie Ted Robert Gurr, die aan de hand van rechtbankverslagen het aantal moorden telde dat tussen 1200 en 2000 in een reeks Britse steden werd gepleegd. Gurrs grafiek laat een afname zien van rond de honderd moorden per honderdduizend inwoners per jaar in de dertiende eeuw in Oxford tot minder dan één moord per honderdduizend inwoners per jaar in Londen nu, met een gemiddelde afname van een factor vijftig. Een andere klassieker is het boek Statistics of Deadly Quarrels uit 1950 van Lewis Richardson. Deze Britse natuurkundige benaderde het fenomeen oorlog puur statistisch en beweerde middenin de Koude Oorlog dat een lange periode van vrede veel aannemelijker was dan de door vele historici als onafwendbaar beschouwde naderende Derde Wereldoorlog.

Pinker stelt dat met het doorlopen van een zestal stadia, samen te kenschetsen als vooruitgang en toenemende beschaving, de kans op een grote oorlog steeds kleiner wordt. ‘Ik stel nadrukkelijk niet dat er nooit meer een grote oorlog zal kunnen ontstaan, maar de historische statistische trend valt niet te ontkennen.’ Volgens Pinker krijgt het goede dat in elke mens en in elke samenleving schuilt, steeds meer de overhand op ‘het kwade’. De Engelse titel van zijn boek The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined refereert aan een uitspraak van de Amerikaanse president Abraham Lincoln, die in 1861 bij zijn inauguratie de hoop uitspraak dat de krachten van het goede zouden overwinnen in het door burgeroorlog bedreigde land.

‘De eerste en tweede fase van de zes stadia bestaan uit het ontstaan van de landbouw en dus van geregeerde steden. Voordien stierf 15 % van de bevolking door geweld, daarna nog maar 3 %. De tweede fase van beschaving is het best te zien in Europa, waar grotere koninkrijken ontstonden uit een lappendeken van feodale territoria. De derde fase noem ik de Humanistische Revolutie, die de wind in de zeilen kreeg met de verlichting. Het vierde stadium is wat historici wel de Lange Vrede noemen, die na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog voortsproot uit een besef dat oorlog een te vermijden uitzonderlijke toestand is in plaats van de normale toestand, zoals militair strateeg Carl von Clausewitz oorlog kenschetste als het voortzetten van diplomatie met andere middelen. De vijfde fase is de Nieuwe Vrede. Die is het gevolg van het failliet van het communisme, waardoor een einde kwam aan allerlei conflicten die de supermachten in de derde wereld met elkaar uitvochten. Het zesde en meeste recente stadium noem ik de rechtenrevolutie, een groeiende weerzin tegen kleinschalig geweld tegen vrouwen, etnische minderheden en homo’s en tegen lijfstraffen voor kinderen. De pacificerende krachten zijn de staat, de geglobaliseerde wereldhandel, die als eerste schade leidt door oorlog, en het kosmopolitisme, het gegeven dat ons nostalgische dorpse wereldbeeld is geëxplodeerd door alfabetisering, mobiliteit en massamedia.’

In landen als China, India, Brazilië, Rusland en zelfs in Afrikaanse landen is een enorme middenklasse aan het ontstaan die de economie aandrijft, maar ook de tomeloze honger naar energie en grondstoffen. Pinker denkt niet dat daar de derde wereldoorlog op de loer ligt. ‘Je weet het nooit, maar in feite zijn maar weinig oorlogen direct gegaan om grondstoffen, maar des te vaker om ideologie, gekwetste eer of trots, angst, macht, revanchisme, of vanuit een herenigings- dan wel afscheidingsstreven. Als leiders deze motieven mijden en blijven geloven in open markten, dan is het veel goedkoper om schaarse energie en grondstoffen te kopen dan ze met oorlogsgeweld te veroveren. Technologische vooruitgang, innovatie, kan de afhankelijkheid van een schaarse bron verleggen naar een bron die wel in voldoende mate voorhanden is. Ik wil niet zeggen dat het per se zo zal gaan, maar het staat ook allerminst vast dat we oorlog gaan voeren om schaarse bronnen.’

Tot de historische ontwikkelingen die de goede krachten steeds meer laten winnen van de kwade, behoort de westerse democratie en de daarbij horende geciviliseerde samenleving of civil society. ‘Het idee dat China, dat kan bogen op een veel oudere confucianistische, collectivistische beschaving, die humanistische en individualistische concepten fundamenteel zou verwerpen, komt voort uit meerdere misverstanden’, geeft Pinker aan. ‘We weten dat de huidige leiders democratie verwerpen, maar dat wil nog niet zeggen dat de gehele Chinese bevolking dat eveneens doet. En het feit dat een bepaald idee westers is, betekent nog niet dat het alleen werkt in het westen. Westerse wetenschappen ontdekten de zwaartekracht, genen, bacteriën, atomen, tektonische platen; die kennis is universeel. Het kan heel goed zo zijn dat democratie, die is ontdekt in het westen, het systeem is dat geluk maximeert in elke complexe samenleving.’

Politiek filosoof John Gray verwijt Pinker selectief te putten uit de bronnen van de verlichting, waarvan ook Marx, Lenin, Stalin en Mao producten waren, leiders die mensen beschouwden als een wegwerpartikel bij het streven naar hun Utopia. De verlichting heeft volgens hem net zoveel kwaads als goeds voortgebracht. Daar is Pinker het echter niet mee eens. ‘Verlichting is voor mij niet elk door een Europese schrijver gebrouwen gedachtesamenraapsel sinds 1750. Ik specificeer verlichting als verlicht humanisme, zoals dat is verwoord door Locke, Spinoza, Hume, Kant en de Amerikaanse Founding Fathers en dat de rede gebruikt om het centraal stellen van de belangen en rechten van het individu te rechtvaardigen. Ik beschouw marxisme en nationalisme als ideologieën van de contra-verlichting, die mystieke organische krachten en historische dialectiek boven beredeneerde oorzaak en gevolg stellen en die het individu ten onder laten gaan in een natie, klasse of ras waarvan het belang alles overstijgt.’

De bouwstenen van de Lange Vrede, zoals afschrikking van conventionele oorlog, democratie, internationale handel en internationale samenwerking en overleg in organisaties, zijn er allemaal gekomen na 1918. Toch begon twintig jaar later de Tweede Wereldoorlog, met een nog grootschaliger waanzin. Zolang er ook collectief geheugenverlies is, zal verankering van afschrikwekkende oorlog in het collectieve geheugen geen garantie zijn dat oorlog verdwijnt. ‘De loop der geschiedenis kent geen garanties. Ik beweer alleen dat het mogelijk en waarschijnlijk is dat oorlog steeds meer een uitzonderlijkheid wordt. Overigens bestrijd ik dat democratie en pacificerende instituties en handelscontacten in 1918 al net zo wijdverbreid waren als dat ze sinds 1945 zijn.’

Maar hoe kan het dat in een welvarend land als Nederland met een hoogopgeleide bevolking men nu helemaal lijkt te zijn vergeten waarom het te doen was bij de start van die Europese samenwerking, namelijk nooit meer oorlog. Afgeven op Europa is nu ook onder intellectuelen geaccepteerd. ‘Ook daarvoor geldt: niets zegt dat het niet ook heel anders kan lopen dan ik als waarschijnlijk veronderstel. We kunnen het alleen op een intelligente manier hebben over waarschijnlijkheden. Maar laten we de zaken wel in de juiste verhouding zien. Nederlandse elites mogen afkeer hebben van bepaalde aspecten van de Europese Unie, ze zullen heus niet zo gek zijn om een invasie in België te plegen, de illusie hebben dat ze van Nederland weer een wereldmacht kunnen maken, laat staan vervallen in heksenverbrandingen.’

 

MEISJES

De empathische, coöperatieve samenleving die Pinker schetst als de samenleving van de Lange Vrede die de toekomst heeft, lijkt meer feminien dan masculien, assertief, agressief en gericht op competitie. Maar stel dat vooruitgang toch meer tot stand komt via strijd dan via samenwerking, dan is het verontrustend dat juist in die strijdbare opkomende economieën meisjes ondergewaardeerd worden, zozeer zelfs dat meisjesfoetussen worden geaborteerd. ‘Elke denkbare samenleving zal existentiële dreigingen het hoofd moeten bieden en dat kan betekenen dat er een geloofwaardige militaire afschrikking nodig is en dat een samenleving bereid moet zijn om die in te zetten als ze onder de voet gelopen dreigt te worden. Maar strijd mag niet worden verheerlijkt en dient zorgvuldig te worden afgestemd op het reële niveau van dreiging. En wat mannelijke versus vrouwelijke waarden aangaat: Europa, Canada, Japan en het grootste deel van de Verenigde Staten laten zien dat samenlevingen kunnen voorzien in zingeving, geluk en veiligheid voor hun bevolking zonder dat de algemene mobilisatie is afgekondigd of de staat van beleg geldt. Het aborteren van meisjesfoetussen en vermoorden van meisjesbaby’s is al duizenden jaren een wijdverbreide praktijk in India en China en moet stoppen, al is het maar omdat de regeringen van deze landen zichzelf opzadelen met het probleem van miljoenen losgeslagen jonge mannen. Ik denk dat de internationale strijd voor gelijke rechten voor vrouwen onverminderd zal doorgaan en resultaat zal hebben, net zoals internationale campagnes om slavernij, walvisjacht en kernproeven in de atmosfeer en het afbinden van de tenen van Chinese vrouwen hebben geleid of zullen leiden tot de afschaffing van zulke praktijken.’

Oorlog als fysieke vernietiging van een tegenstander mag verdwijnen, er ontstaat een heel nieuw arsenaal van niet-dodelijke middelen om vijanden uit te schakelen, zoals cyberoorlog, robotische oorlogsvoering, genetische manipulatie en wellicht technologieën die het bewustzijn van de vijand beïnvloeden. ‘Je weet het nooit, maar als gedragsgeneticus en cognitief neurowetenschapper kan ik stellig zeggen dat zulke sciencefictionrampen, zoals het ‘overnemen’ van iemands hersenen en genetische manipulatie, berusten op pure fantasie en net zo min werkelijkheid zullen worden als de voorspelling uit 1950 dat we in het jaar 2000 allemaal met een rugzakstraalmotor door de lucht naar ons werk zouden gaan.’

STEVEN PINKER: ONS BETERE IK. WAAROM DE MENS STEEDS MINDER GEWELD GEBRUIKT • UITGEVERIJ CONTACT • 956 BLZ. • € 125 • ISBN 978 90 254 2716 0

 

 

KENGEGEVENS

NAAM

Steven Pinker

LEEFTIJD

58

TITEL

prof.dr.

OPLEIDING

Experimentele Psychologie, McGill University (1976)

Promotie Experimentele Psycholgie, Harvard University (1979)

FUNCTIE

hoogleraar, Harvard University

 

 

(BEELDMATERIAAL)

 

(HH_07537432.jpg)

 

FOTO HOLLANDSE HOOGTE

 

(steven_pinker_by_max_s_gerber_srgb_profile9x12300dpi_10.jpg)

 

 

(QUOTES)

 

‘Het is veel goedkoper om schaarse energie en grondstoffen te kopen dan ze met geweld te veroveren’

 

‘Nederlandse elites zullen heus niet zo gek zijn om een invasie in België te plegen’

 

‘Strijd mag niet worden verheerlijkt’

 

Ir. Bart Reijnen koppelt Europees bewustzijn aan commercieel denken ‘Dat het luchtvaart moest zijn, stond voor mij vast’

 

 

reijnen2

48_51_INGR14_Interview

[HET INTERVIEW]

 

tekst erwin van den brink

foto’s jordi huisman: www.jordihuisman.nl

Ir. Bart Reijnen koppelt Europees bewustzijn aan commercieel denken

 

‘Dat het luchtvaart moest zijn, stond voor mij vast’

 

Dutch Space directeur ir. Bart Reijnen heeft een feilloos gevoel voor de rol die Nederland hoort te spelen in de Europese lucht- en ruimtevaartbranche. Het heeft geen zin onze nationale ruimtevaart ‘geïsoleerd te koesteren als een kasplantje’, zegt hij. Wel is het belangrijk dat we speerpunten kiezen. ‘Iets waarvan de hele wereld zegt: dát doen ze in Nederland.’

 

Bart Reijnen, directeur van Dutch Space, is een echte Europeaan. Hij is jong (38), een slimme bèta en iemand met industriële genen. Dat is vrij bijzonder, want doorgaans zijn echte Europeanen niet mensen uit de industrie maar mensen uit het Haagse, politieke discours. Vaak zijn dat alfa- en gammamensen, geen bèta’s… Zij zijn ‘continentaal’ georiënteerd, terwijl de leidende figuren in het bedrijfsleven en de industrie meestal Angelsaksisch denken; atlantici met altijd een schuin oog gericht op de Verenigde Staten.

Deze verdeling heeft geleid tot een mentale kloof tussen overheid en industrie, die binnen Europa nergens zo diep is als in Nederland.

In de persoon van Bart Reijnen lijkt die kloof echter gedicht te worden. Als directeur van Dutch Space koppelt hij een sterk Europees bewustzijn aan commercieel denken en de behartiging van nationale belangen.

Dutch Space is een volle dochter van het Europese ruimtevaartbedrijf Astrium dat op zijn beurt weer onderdeel is van EADS, European Aerospace & Defense Systems, het grootste lucht- en ruimtevaartconcern ter wereld. Het in Leiden gevestigde bedrijf is na een aantal onzekere jaren in rustiger vaarwater terechtgekomen. In 2009 heeft Dutch Space voor honderd miljoen euro aan projecten verworven. Door de bank genomen is dat voor 90 % Nederlands belastinggeld, omdat het indirect afkomstig is van onze nationale deelname aan projecten van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. ESA ploegt het ontvangen geld grotendeels terug naar Nederlandse bedrijven, in de vorm van orders.

Reijnen: ‘De Nederlandse overheid heeft er jaren geleden voor gekozen als lid van de EU de Europese ruimtevaart te steunen en daar solidair in mee te doen. Dan heb je het recht dat met je eigen industrie te doen.’ De reden is dan niet nationaal prestige of politiek hobbyisme, legt hij uit, maar het besef dat ruimtevaart de bron is van veel innovatie die juist buiten de ruimtevaart praktische en commerciële toepassing vindt.

‘Daarom zie je dat landen als India, China en Brazilië allemaal inzetten op ruimtevaart. ’ In ruimtevaart is alles immers extreem. De krachten die werken op constructies zijn extreem. Die constructies moeten heel licht en tegelijk zeer sterk zijn. Systemen moeten uiterst betrouwbaar zijn, want eenmaal in de ruimte kun je er niet meer bij komen. Daarom is ontwerpen in de ruimtevaart, meer dan waar ook, ontwerpen op het scherp van de snede. Cutting edge technology, zoals dat in het Engels heet.

Reijnen: ‘De landen om ons heen hebben op een beperkt aantal thema’s een specifiek technologiebeleid. Als zij dat doen op het terrein van de ruimtevaart en wij doen dat in Nederland niet, dan verkeren we in het nadeel. Dan is er geen level playing field.’

Hoewel het altijd beter kan, is Reijnen blij met de 120 miljoen die er vanuit de ministeries van EZ en OC&W en de organisatie NWO jaarlijks specifiek beschikbaar is voor ruimtevaart. Waar hij ook verheugd over is: er is sinds 1 juli 2009 een centraal aanspreekpunt bij de overhead, de Netherlands Space Office (NSO). ‘Voorheen hadden we te maken met meerdere ministeries en instellingen. Het NSO helpt bij het voeren van een helder en eenduidig beleid. Dat is een goede zaak.’

De middelen die Nederland heeft voor ruimtevaart zijn echter beperkt. Reijnen: ‘Daarom heeft het ook geen zin om Nederlandse ruimtevaart geïsoleerd te koesteren als een kasplantje. Het is veel beter om het in te bedden in een groter, Europees, geheel. Dat is EADS’. Deze lucht- en ruimtevaartgigant ontstond door de fusie van drie nationale bedrijven, het Duitse DASA, het Franse Aerospatiale en het Spaanse CASA. Reijnen was erbij toen EADS werd opgericht. Hij was in 2000 de assistent van Rainer Hertrich, die samen met Philippe Camus de eerste tweekoppige directie vormde van EADS.

 

gigantische motivator

Dat hij erbij was toen EADS ontstond, dankt Reijnen aan een aantal atypische keuzes in zijn loopbaan. De Limburger was als jongen gek op vliegtuigen en wilde straaljagerpiloot worden, maar hij bleek daarvoor te lang. Verkeersvlieger leek hem niets: ‘zoiets als buschauffeur, maar dan elke dag op en neer vliegen.’

Reijnens vader is wiskundeleraar dus Bart had het kraken van problemen met de paplepel ingegoten gekregen. ‘Dan maar lucht- en ruimtevaart in Delft doen, dacht ik.’

‘Als ik niet het niveau had gehad voor een wetenschappelijke opleiding, dan was ik vliegtuigtechnicus geworden bij de luchtmacht, maar dat het iets met luchtvaart moest zijn, stond voor mij vast.’

Omdat iedereen in Delft stage liep bij Fokker of anders in de Verenigde Staten, koos Reijnen voor een alternatief. Het werd een stage bij Deutsche Aerospace, DASA.‘Die stage deed ik in een team van twee Nederlanders en twee Duitsers. Dat multinationale aspect sprak mij aan.’

Hij was 26 toen hij in 1998 klaar was en solliciteerde bij DASA op de functie van assistent-projectleider Airbus A 3XX, wat later de A-380 werd. ‘Dat was echt super! Mijn eerste grote job en ik was de rechterhand van Jürgen Thomas, echt een goeroe op het gebied van vliegtuigontwikkeling. Ik keek enorm tegen hem op. Hij was toen al ouder dan zestig jaar. Bij elk vliegtuigproject in Europa dat er maar enigszins toe had gedaan, was hij wel betrokken geweest.’

‘Overal waar je in Europa kwam bij vestigingen van Airbus zinderde het. Grote borden en plakkaten waarop dan stond: “Hier wordt straks de romp, vleugel, vul maar in… gebouwd van de A-380.” Het was een gigantische motivator. Dagelijks positief in het nieuws. Het is jammer dat er later problemen in de aanloop van de productie zijn geweest, die hebben gezorgd voor negatieve publiciteit. Maar dit vliegtuig gaat een heel groot succes worden, daarvan ben ik overtuigd.’

Na drie jaar liep de detachering van Reijnen vanuit DASA bij Airbus in Toulouse (Frankrijk) af. Juist op dat moment diende zich de mogelijkheid aan assistent te worden van Rainer Hertrich bij het nieuwe EADS, waarin Airbus zou opgaan. ‘Het was enorm fascinerend om met je neus bovenop die hele industrie te zitten. Alle informatie die Rainer Hertrich kreeg, zag ik ook. Hij moest op grond daarvan zijn beslissingen nemen, hij leidde er het bedrijf mee en ik deed er niets mee. Maar ik kon het soms niet laten om met de kennis die ik had een besluitvormingsproces voor mijzelf te doordenken. Hoe zou ik beslissen? Het was een heel intensieve werkrelatie waarvan ik veel heb geleerd. Het was ook opwindend, want EADS is het eerste puur Europese bedrijf. Het is geen conglomeraat of consortium meer met daarbinnen nationale belangen. Het loopt vooruit op de politieke eenwording van Europa. Er zijn geen nationale aandeelhouders meer in EADS, zoals destijds bij Airbus dat in Duitsland te weinig Duits was en in Frankrijk te weinig Frans. Er zijn nu in de hele wereld aandeelhouders van het Europese bedrijf EADS.’

Zo heeft EADS in het Verenigd Koninkrijk het gedeelte van het voormalige British Aerospace overgenomen dat van oudsher alle vleugels voor Airbus bouwt. Dat bedrijf is nu niet meer Brits, maar 100 % dochter van het Europese EADS, dat overigens om louter belastingtechnische redenen een Nederlandse N.V. is. De holding is gevestigd in hetzelfde gebouw in Leiden waar Dutch Space zit, de Astriumdochter van EADS. En dus nodigde Bart Reijnen de raad van bestuur van EADS onlangs uit om na de maandelijkse vergadering even een kijkje te nemen in de clean rooms.

Nu hij de organisatie bij Dutch Space zo ver op orde heeft, is het zaak te gaan nadenken over wat hij noemt ‘de stip op de horizon’. Dutch Space heeft bijvoorbeeld de prestigieuze robotarm voor het International Space Station (ERA) ontwikkeld. Maar hiervan wordt er slechts één gebouwd. Reijnen wil naar meer serieproductie waarbij het bedrijf profijt gaat hebben van de leercurve. Dat biedt continuïteit. Nederlandse zonnepanelen hebben al een goede reputatie. Ongeveer tweederde van de ESA-missies vliegt nu met Nederlandse zonnepanelen. Motorophangingen en verbindingssecties tussen rakettrappen zijn (in samenwerking met Stork en TNO) andere sterke punten. De ontwikkeling van zeer geavanceerde instrumenten, samen met SRON en het KNMI, is iets waarin Dutch Space ook internationaal een goede reputatie heeft. Zowel op het gebied van ruimteonderzoek als in aardobservaties ten behoeve van bijvoorbeeld klimaatonderzoek kan Nederland bogen op een reeks successen.

Reijnen: ‘Maar welke thema’s wil Nederland nu eigenlijk echt voor zich gaan claimen? Iets waarvan de hele wereld zegt: dát doen ze in Nederland. Binnen NSO is de ruimtevaartsector met de overheid in overleg over deze hamvraag.’

Dat is misschien wel het wezen van de Europese industrieel Reijnen: nationale belangen bundelen en kennis richten op een beperkt aantal onderwerpen om juist een aantrekkelijke en sterke partij te zijn voor Europese samenwerking. Reijnen: ‘De Europese eenwording betekent niet dat we als Nederland achterover kunnen gaan leunen in de veronderstelling dat als wij het niet doen, mooie nieuwe technologie wel ergens anders in Europa wordt ontwikkeld.’

Want dan grijp je op een gegeven moment naast die technologie als je hem nodig hebt. ‘Dus je moet Europees denken en daarbij oog houden voor nationale belangen’, stelt Reijnen. Kort en goed: omdat andere lidstaten aan ruimtevaart doen, is Nederland wel gedwongen mee te doen. ‘Als wij Nederland of Europa – de Europese Commissie is een steeds belangrijker opdrachtgever, denk aan Galileo –als opdrachtgever hebben in het voorcommerciële traject, dan kunnen wij vanuit die ervaring technologie bouwen die vervolgens ook wereldwijd commercieel te verkopen is.’

 

[kader kengegevens]

 

KENGEGEVENS

 

NAAM

Bart Reijnen

 

LEEFTIJD

38

 

TITEL

Ir.

 

OPLEIDING

Lucht- en Ruimtevaarttechniek, TU-Delft

 

FUNCTIES

Directeur Dutch Space (vanaf 2006)

Hoofd Bestuursbureau EADS (2004-2006)

Assistent van Rainer Hertrich, ceo EADS (2000-2004)

Hoofd A380-projectplanning, Airbus Toulouse (1998-2000)

Assistent van de hoofdconstructeur A380 (1997-1998)

 

 

[QUOTES]

 

‘Ik was de rechterhand van Jürgen Thomas, echt een goeroe op het gebied van vliegtuigontwikkeling.’

 

‘Welke thema’s wil Nederland nu echt voor zich gaan claimen?’

 

‘Je moet Europees denken en daarbij oog houden voor nationale belangen.’

 

[BEELD

zie reijnen1 en reijnen2]

DONALD KALFF VERWERPT HET AMERIKAANSE ONDERNEMINGSMODEL ‘Europa doet het beter dan de VS’

Haarlem, 27 augustus 2007. Donald Kalff.
Haarlem, 27 augustus 2007. Donald Kalff.

60_65_INGR13_Interview

 

Het Interview

 

 

tekst erwin van den brink

 

 

  1. DONALD KALFF VERWERPT HET AMERIKAANSE ONDERNEMINGSMODEL

 

‘Europa doet het beter dan de VS’

 

Nu de Verenigde Staten te kampen hebben met economisch zwaar weer vergt het geen moed meer om kritiek te hebben op de Amerikaanse economie. Dr. Donald Kalff maakt echter al jaren korte metten met het Amerikaanse aandeelhouderskapitalisme en de managers die daarbij horen. ‘Europese bedrijven doen het even goed of zelfs beter dan Amerikaanse ondernemingen.’

 

De Amerikaanse economie is volgens dr. Donald Kalff overgewaardeerd en de resultaten van Amerikaanse bedrijven zijn geflatteerd. Daar draait het om in zijn boek Onafhankelijkheid voor Europa. Het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel. Kalff verdiende na zijn studie in Delft zijn sporen als manager bij Shell en als lid van de groepsraad van de KLM. Nu is hij oprichter en directeur van een klein biotechnologiebedrijf, adviseur en publicist. Hij promoveerde aan een Amerikaanse universiteit, is een redelijk gevierd spreker in het Europese lezingencircuit en zijn boek is in de VS verschenen als An Un-American Business – The Rise of the New European Enterprise. Het adjectief Un-American betekent in de VS zoiets als ondermijnend, subversief.

Gaat de opkomst van de Europese onderneming de Amerikaanse ondermijnen? ‘Topmanagers die op zijn Amerikaans puur als manager zijn opgeleid, zijn geen professionals’, verklaart Kalff. Ze doorgronden het bedrijf niet en zijn niet in staat met hun handelen economische waarde voor het bedrijf te creëren. Ze zorgen hooguit om voor wat aandeelhoudersrendement binnen hun contractduur van doorgaans een jaar of vier door het opvoeren van de winst per aandeel. Vooral in de kosten snijden, fuseren waardoor ze nog meer kunnen bezuinigen en de inkoop van eigen aandelen zijn daarbij beproefde methoden.’

Het maakt veel Amerikaanse bedrijven groot, maar dat is geen zegen of verdienste. ‘Grote ondernemingen kunnen eigenlijk niets’, stelt Kalff. ‘Ze kunnen niet of nauwelijks autonoom groeien, kosten besparen of herstructureren. Acht van de tien veranderprojecten mislukt.’ En overname van of door een ander bedrijf leidt bijna per definitie tot waardevernietiging, aldus Kalff.

Siemens, Philips, Shell, General Electric, allemaal giganten van meer dan honderd jaar oud, zijn volgens Kalff toch veel eerder uitzondering dan regel. Zeker voor Siemens en Shell geldt dat hun continuïteit mede te danken is aan een trouwe schare kleine aandeelhouders en pensioenfondsen die vertrouwen hebben in het management en de uitgezette koers en genoegen nemen met een laag dividend. Dat kan dus ook plotseling afgelopen zijn. Bij zulke bedrijven moeten geen snelle jongens van buiten de koers radicaal omgooien, want dat staat zo ongeveer gelijk aan liquidatie van de onderneming.

Geforceerde verandering van een ‘werkgemeenschap’, zoals Kalff een bedrijf ziet, leidt hoe dan ook tot vernietiging van sociaal weefsel. Kalff: ‘Waarom hoor je niemand meer over het feit dat Aad Veenman Stork als het ware per decreet transformeerde van een maakindustrie naar een industriële dienstverlener? Daarmee vernietigde hij de bestaande werkgemeenschap, het vermogen van een groep mensen om al samenwerkend iets tot stand te brengen.’ DSM lukte het wel zich te transformeren: eenmaal na 1965 van staatsmijn- naar petrochemiebedrijf en eenmaal eind jaren negentig van petrochemie- naar biochemiebedrijf. ‘Dat kost inderdaad een jaar of dertig’, bevestigt Kalff.

Dat Stork zich verzet tegen opsplitsing is begrijpelijk. ‘Schaalgrootte ziet de klant als een garantie voor continuïteit. Hoe dan ook, de divisie Luchtvaartactiviteiten maakt op eigen kracht geen schijn van kans. Het is niet eens een slecht plan van die hedgefondsen, maar gewoon ontzettend dom. Ik vind het argument van de bedrijfsleiding dat de drie bedrijfsonderdelen ten opzichte van elkaar contracyclisch zijn, nogal gekunsteld is. Dat zou wel opgaan indien het conglomeraat pakweg tien divisies zou hebben.’

 

MULTITASKEN

De makke is dat managers van de Amerikaanse school, de mba’s (master of business administration) die willen managen om het managen en het maakt niet uit wat, geleerd hebben om ‘de complexe werkelijkheid van een bedrijf te ontleden in lineaire verbanden en doelen te reduceren tot enkele simpele parameters als kwartaal- en koerswinst’. Het zijn, om Robert Musil te parafraseren ‘eendimensionale’ managers. ‘Ze sturen op een paar financiële parameters. Ze hebben geen strategie en geen visie omdat ze het bedrijf niet kennen. Ze kunnen in die zin dus eigenlijk geen leiding, richting geven en zijn bijna altijd vertrokken voordat de verwoesting die ze intern hebben aangericht aan het licht komt. Maar ze hebben wel even de kwartaalwinst opgepompt, de beurskoers omhooggejaagd en hun opties verzilverd.’

Ze zijn volgens Kalff te herkennen aan hun stokpaardje. Ze kunnen maar een verandering tegelijk teweegbrengen terwijl de manager die voor het bedrijf relevante vakinhoudelijke kennis (technisch, medisch, juridisch) heeft daardoor in staat is het bedrijf te doorgronden, er een ‘holistisch’ alomvattend mentaal beeld van heeft en daarmee meerdere elkaar onderling versterkende maatregelen tegelijk kan treffen. Hij kan snel en werktuigelijk handelen, zeg maar multitasken.

De eendimensionale managers en niet zozeer de investeringfondsen zijn volgens Kalff dus de sprinkhanen die bedrijven uitvreten. ‘Van het private equity bestaat 80 % uit zeer fatsoenlijke zakenmensen die hun geld voor langere tijd in een bedrijf stoppen om waarde te creëren, business te ontwikkelen.’ Waarde drukt hij uit in geaccumuleerde kasstroom nu en in de toekomst, uiteraard inclusief de kapitaalskosten, zeg maar het vermogen van het bedrijf om over een langere termijn geld te verdienen na gedegen ontwikkeling van een zakelijke activiteit, een product-marktcombinatie, een business, geef het een naam. Iets doen en er goed in zijn.

Daarom is Shell beter af met ingenieur Jeroen van der Veer dan met de registeraccountant Cor Hekströter en is Philips beter af met de misschien niet zo hemelbestormende ingenieur Gerard Kleisterlee dan met de luidruchtige selfmade marketingman Cor Boonstra. Scientific management veronderstelt dat de bedrijfsleiding geen enkele inhoudelijke identificatie hoeft te hebben met de bedrijfsactiviteit. Philips kan evengoed fietsen fabriceren en Shell evengoed zeevis omhoog halen. Managers zijn inderdaad menners die buiten de werkgemeenschap staan om deze aan te sturen door aan wat knoppen te draaien. ‘Je krijgt een commandostructuur waarbij een winsttarget voor de top uiteindelijk aan de basis neerslaat als een keiharde omzetdoelstelling voor de lokale vertegenwoordiger te Stadskanaal.’ Targetterreur haalt niet per se het beste in mensen naar boven.

 

INGENIEURSBUREAUS

Kalff vindt ingenieursbureaus een mooi voorbeeld van werkgemeenschappen. ‘Wat staat er op de balans van een ingenieursadviesbureau aan assets, bezit? Gebouwen? Installaties? Nee. Een kantoor huur je en de inventaris schrijf je in drie jaar af. De waarde schuilt in de werkgemeenschap, het vermogen van een groep aan elkaar gecommitteerde mensen om met inzet van hun kennis en vaardigheden samenwerkend waarde te creëren voor een klant.’

Als het om waardecreatie en innovatie gaar wil Kalff wel eens een lans breken voor een verguisde bedrijfstak: de bouwnijverheid. ‘Het is onzin dat die weinig innovatief is! In een zeer competitieve markt worden de meeste projecten beneden de gecalculeerde kostprijs aangenomen. Een aannemer moet zijn marge dus halen gedurende de uitvoering van het werk door ter plekke originele oplossingen te bedenken en efficiënter te opereren dan de calculator voor mogelijk had gehouden. Hij moet in zijn hoofd een kwalitatief mentaal model bouwen van de hele situatie op de bouwplaats: bij welk weer moet de schilder komen, wanneer de metselaar, de loodgieter.’ Na berekening van alle kosten, materiaal en manuren blijkt er dan toch een groter dan verwacht rendement te zijn. Kalff: ‘Dat noemen we multifactor productivity. Productiviteit die te danken is aan individuele ervaring, goede samenwerking, snel op elkaar ingespeeld raken. Hoe die ontstaat, is niet bekend. De bouwmanager kan die extra productiviteit naar boven halen omdat hij een holistisch beeld heeft van het gehele bouwproces. Daarin ontleent elk aspect betekenis aan de context die verschilt van project tot project.’

Daarom moet een leidinggevende gepokt en gemazeld zijn in de bedrijfsvoering, liever opgeklommen vanaf de werkvloer in plaats van binnengehaald. Dat geldt voor Van der Veer en Kleisterlee die allebei hun hele leven bij ‘hun’ bedrijf hebben gewerkt.

 

LEGER

Het alternatief voor het leiding geven aan een werkgemeenschap is dat bedrijven worden geleid als een leger. In een veldslag is iedereen behalve met het bestrijden van de vijand ook bezig met overleven binnen de eigen organisatie. Kalff: ‘Dat geldt ook voor Amerikaanse zakenpartners, zoals ik heb ervaren toen ik begin jaren negentig namens KLM onderhandelde met North West Airlines, waarvan KLM toen een aanzienlijk pakket aandelen bezat. Wederzijds vertrouwen was per definitie niet aan de orde. Elke oplossing kwam er op neer dat beide partijen er ongeveer evenveel van moesten profiteren. Vertrouwen veronderstelt dat wij voor langere tijd aan elkaar vastzitten en dat het ene moment ik wat meer profiteer van de samenwerking en het andere moment jij, maar op de lange duur halen we er allebei ongeveer evenveel uit. En niet dat we elkaar gijzelen met afgetroggelde concessies.’

In de VS zijn met name grote beursgenoteerde bedrijven hobbesiaanse samenlevingen, waar een oorlog van iedereen tegen iedereen heerst. De veel geroemde competitie bestaat niet alleen tussen concurrenten maar ook tussen zakenpartners en binnen bedrijven zelf. Waarschijnlijk hebben die bedrijven het zo vaak over teambuilding omdat ze er zo weinig van hebben. Kalff: ‘Dat gebrek aan vertrouwen leidt tot hoge transactiekosten. Amerikanen zijn enorm veel tijd en geld kwijt aan advocaten om contracten op te stellen en om geschillen uit te vechten, veel en veel meer dan in het Europese bedrijfsleven. Daar grijpt een rechter in het geval van een geschil bij het vormen van zijn oordeel niet terug op de letter van het contract, maar op de aanvankelijke intentie van het contract. Hij baseert zich op beginselen in het burgerlijk recht als ‘goed vertrouwen’ en ‘redelijkheid’, dat zijn levende begrippen. In de VS mag je alles doen dat niet expliciet in het contract is uitgesloten, ook al druist het tegen de geest van het contract in.’

 

FAMILIEBEDRIJVEN

Die voortdurende alomtegenwoordige competitie en de tucht van de markt en de beurs hebben volgens Kalff zo veel schaduwzijden dat Europa een beter ondernemingsmodel, een beter management en een beter ondernemersklimaat heeft.

Eerst het Europese ondernemingsmodel. Dat bestaat in feite uit heel veel modellen. In de VS is driekwart van de bedrijven beursgenoteerd, in Europa is driekwart dat juist niet. Het zijn bijvoorbeeld familiebedrijven (Porsche, Fiat, Heineken, Roche). Houden zo, meent Kalff. Dat zij economisch onvolwassen zijn omdat ze niet of nauwelijks vreemd vermogen hebben of niet beursgenoteerd zijn, is de mythe die investmentbanken die dik verdienen aan beursgangen en vermogensplaatsingen, in stand houden. Europa kent goddank ook andere bedrijfsvormen als coöperaties, denk aan de Rabobank en Campina/Melkunie. Uiterst succesvol.

Dan het management. Voor het creëren van economische bedrijfswaarde is het loyale middenkader en niet het nomadische topkader het belangrijkste. Kalff: ‘In mijn tijd bij Shell en later bij KLM zag ik dat waardetoevoeging uitsluitend was te danken aan het veel bekritiseerde middenkader. Hen wordt verweten dat ze tegen verandering zijn, maar mijn stelling is dat zij het bedrijf draaiend hebben gehouden terwijl het topmanagement bezig was de winst per aandeel te optimaliseren. ABN AMRO is hiervan een in het oog springend voorbeeld.’

Tenslotte de economie. De VS investeren aantoonbaar meer in R&D dan wij in Europa. Die 3 % van het (Europees) bruto binnenlands product (BBP) die we in 2001 in Lissabon hebben afgesproken, halen we in 2010 niet. Holle statistiek, aldus Kalff. ‘Het bewijst juist mijn gelijk. Wij doen het met minder geld even goed of zelfs beter, slimmer. Het aandeel van innovatieve producten als percentage van het BNP ligt in Duitsland hoger dan in de VS. Dat is een veel betere maat voor de innovatiekracht van een economie.’

Kalff stelt dat de Europese economie, Europese bedrijven, dankzij de diverse bedrijfsmodellen en meer oog voor sociaal kapitaal, het in de jaren negentig even goed hebben gedaan als de VS en de Amerikaanse bedrijven – of wellicht beter. Ze innoveren en veroveren buitenlandse markten. ‘Van de honderd grootste bedrijven ter wereld zitten er zestig in Europa.’ Het Amerikaanse statistische rookgordijn begint nu op te trekken. Kalff: ‘Van de gerapporteerde winsten in de jaren negentig moet je ongeveer 60 % aftrekken. De boekhoudkundige verwerking van optieregelingen verlaagt de winst met 30 %. Daarnaast is 15 % te danken aan de winsten die pensioenfondsen van die bedrijven maakten. Ten slotte moet je de winst met nog eens gemiddeld 15 % verlagen omdat veel grote bedrijven onvoldoende pensioenpremie hebben afgedragen. En dan heb ik het nog niet eens over alle schadeclaims wegens malversaties.’ En dan nog wat: dat de Amerikaanse arbeidsmarkt zoveel flexibeler is dan de Europese is volgens Kalff ook een mythe. Grote bedrijven hebben jarenlang personeel binnengehaald met een heel belangrijk emolument: een betaalde ziektekostenverzekering. Je zelf tegen ziektekosten verzekeren is in de VS enorm duur. De mensen die nog al eens plachten te jobhoppen, klampen zich nu met twee handen aan hun stoel vast omdat alle bedrijven dat emolument inmiddels weer hebben afgeschaft. Van baan veranderen betekent daardoor een financiële aderlating.

 

HANDICAP

Als Europa het met de handicap van zijn vele talen en jurisdicties en een nog onderontwikkelde gemeenschappelijke markt het nu al even goed doet als de VS, dan is de prestatie straks beter. ‘Europa wordt steeds meer een eenheid en niet steeds minder’, geeft Kalff aan. ‘Die ontwikkeling gaat onvermijdelijk door.’

Geen misverstand: Kalff ziet geen toekomst voor het oude Europese ‘Rijnlandse’ ondernemingsmodel waarin allerlei stakeholders, belanghebbenden, alleen een deelbelang nastreven en niet dat van het bedrijf als geheel. Dat model leidt tot een overmaat aan regelgeving. De bedrijfsvoering verzandt dan in het voortdurend afwegen van vaak strijdige belangen en veranderende eisen van steeds wisselende externe coalities. Het begint met incidenten. Dan klinkt de roep om transparantie redelijk. Er volgt nieuwe regelgeving met vele uitzonderingsbepalingen. Handhaving is cruciaal maar de bevoegdheden van toezichthouders blijken door nieuwe incidenten ontoereikend. Er volgt aanpassing van de regelgeving. Kortom, het is een kwaadaardige spiraal. Op deze manier wordt de belangrijkste maatschappelijke taak van de onderneming, het creëren van economische waarde, gefrustreerd.

Kalff stelt het constructieve kapitalisme, een op vertrouwen en samenwerking gebaseerde ‘kapitalisme met een menselijk gezicht’, als het ware tegenover het rigide, ideologische aandeelhouderskapitalisme van de Amerikaanse neoliberalen. Dat constructieve model biedt namelijk de beste basis voor de lange termijninvesteringen die nodig zijn voor innovatie en technologische vooruitgang.

www.donaldkalff.eu

 

 

KENGEGEVENS

NAAM

Donald Kalff

LEEFTIJD

58

TITEL

dr.

OPLEIDING

Bedrijfskunde aan de TU Delft/Erasmus Universiteit Rotterdam en gepromoveerd aan de Amerikaanse University of Pennsylvania.

FUNCTIE

Directeur van biotechnologiebedrijf Immpact, adviseur bij Roland Berger Strategy Consultants en publicist. Daarvoor werkzaam bij KLM en Shell.

BOEK

Onafhankelijkheid voor Europa. Het einde aan het Amerikaanse ondernemingsmodel (2005).

 

 

FOTO’S JORDI HUISMAN

 

 

(QUOTES)

 

‘Leidinggevenden die puur als manager zijn opgeleid, zijn geen professionals’

 

‘Grote ondernemingen kunnen eigenlijk niets’

 

‘Het is onzin dat de bouw weinig innovatief is’

 

‘Van de honderd grootste bedrijven ter wereld zitten er zestig in Europa’

 

Marktwerking per decreet werkt niet (14 maart 2006 FD Optiek)

De Franse regering staat niet toe dat het energiebedrijf Suez in Italiaanse handen komt en laat het daarom zo snel mogelijk fuseren met Gaz de France. De Spaanse regering probeert bij wet de overname van Endesa door het Duitse Eon te voorkomen. Energievoorziening is namelijk nationaal belang. Opeens beginnen nu Nederlandse parlementariërs zich zorgen te maken over de leveringszekerheid die de inmiddels geprivatiseerde nutsbedrijven bieden. Geprivatiseerd betekent namelijk overgenomen kunnen worden door een buitenlandse gigant.

 

Die huiver komt wat laat. Die hele privatiseringsdrang komt mij overigens voor als een soort stalinistisch kapitalisme. Zoals het stalinisme alle heil verwachtte van de staat, zo verwacht het stalinistisch kapitalisme dat van de markt. Het stalinistisch kapitalisme is net als het stalinisme een ideologie die zich bedient van quasi-wetenschappelijke methoden. Dat werkt rampzalig uit. De Europese commissarissen zijn net als de volkscommissarissen uit Stalins Sovjetunie politieke bureaucraten die bezig zijn met hun centralistische besturing van de interne markt.

 

Marktwerking valt nu eenmaal niet per Europese richtlijn of met welke oekaze dan ook op te leggen. Om in een sector marktwerking (terug) te brengen is technologische dynamiek nodig die de markt verruimt en zo het instappen van nieuwe partijen vergemakkelijkt. De energiesector kenmerkt zich door technologische stilstand evenals het spoor waar de privatisering schromelijk is mislukt: de politiek bemoeit zich er meer dan ooit mee

 

Laat ik een ander voorbeeld noemen. Waarom is de privatisering van de telefonie wel gelukt? Net als bij de NS was ook hier aanvankelijk een hoop heisa over de toetreding van nieuwe concurrerende partijen tot de bestaande infrastructuur, het vaste lijnennet. Echter, dit probleem heeft zich opgelost doordat zich een nieuwe technologie aandiende: de mobiele telefonie. Die nieuwe infrastructuur die explosief groeit maakt het gemakkelijker voor concurrenten van KPN in de markt te stappen.

 

In de jaren rond de Tweede Wereldoorlog werden trams en buurtspoorwegen verdrongen door de opkomst van particuliere autobusdiensten. De bus was een nieuwe vervoerstechniek die gebruik maakte van een nieuwe infrastructuur, het snel uidijende (snel-)wegennet. Dat creëerde ruimte voor nieuw particulier initiatief naast het spoor. De openbare weg is gemakkelijker te delen door vele (particuliere) gebruikers dan het spoor. In het systeem heerst in principe geen schaarste zodat de overheid niet regulerend hoeft op te treden in het wel of niet toelaten van vervoerders. Hier gold dat technologische vernieuwing de markt verruimde en daardoor marktwerking mogelijk maakte.

 

Ook in de radio- en televisiewereld zie je dat. Door de opkomst van breedbandinternet is het mogelijk radio en televisie te verpreiden buiten de door de overheid gecontroleerde omroepkanalen om. Die verruiming van mogelijkheden leidt tot een explosie van nieuw particulier initiatief. Notabene KPN, het voormalige staatstelefoonbedrijf dat is geprivatiseerd, begeeft zich in de vrije markt van het verspreiden van televisie-inhoud via Internet en het mobiele telefoonnet. De oude omroepkanalen maken gebruik van de ‘ether’ de FM en de VHF/UHF-band waarin schaarste domineert en derhalve de overheid regulerend dient op te treden met een Agentschap Telecom en een Commissariaat van de Media, een anachronistische goede-smaak-politie. Op die overheidsbemoeienis is het oude omroepbestel gebaseerd dat nu zijn langste tijd heeft gehad. Ook hier geldt dat technologische vernieuwing de markt verruimt en daardoor marktwerking mogelijk maakt. Alleen als die niet is opgelegd, dan lukt het.

 

Daarom denk ik ook dat de privatisering van de energievoorziening ons niet veel heil gaat brengen als er niets verandert aan de technologie. Er moet net als met het wegennet en het mobiele telefoonnet een nieuwe parallelle infrastructuur komen waarop nieuwe aanbieders zich vrijelijk kunnen ontplooien als concurrent en alternatief voor de huidige energieaanbieders.

 

Erwin van den Brink,

Hoofdredacteur van het technologietijdschrift De Ingenieur