Tag archieven: communicatie

Vierde Europese Kaderprogramma een grabbelton vol tegenstrijdigheden (nr. 10, 1994)

Is research always able to deliver innovation? Horizon 2020 focuses more than ever on turning scientific breakthroughs into innovative products and services – at least on paper. © EU/Europ. Parliament
Is research always able to deliver innovation? Horizon 2020 focuses more than ever on turning scientific breakthroughs into innovative products and services – at least on paper. © EU/Europ. Parliament

 

 

(Streamer)

WEINIG INVLOED EUROPEES PARLEMENT OP TECHNOLOGIEBELEID + RUIM 26 MILJARD GULDEN VOOR VIERDE KADERPROGRAMMA

 

(Bovenkop)

Vierde kaderprogramma een grabbelton vol tegenstrijdigheden

 

(Kop)

Europees onderzoek: creatief met kurk

 

(Intro)

Positieve effecten zijn er wel, maar de Europese technologieprogramma’s worden vooral gekenmerkt door een veelheid aan willekeurige onderzoekdoelen. ‘Je moet een aantal strategische toepassingsgebieden definiëren. Op het gebied van de telecommu­ni­catie bijvoor­beeld mobiele communi­catie’, geeft dr.ir. N. Hazewindus van Philips als suggestie. – Erwin van den Brink –

 

 

Op 22 maart 1994 hebben de regeringen van de landen van de Europese Unie en het Europese parlement overeen­stem­ming bereikt over het vierde zogenoemde ‘kaderpro­gramma’ waarin de komende vier jaar de subsidiëring (ruim 26,5 miljard gulden) is geregeld van technologisch onder­zoek door de Europese Unie. Ook dit kaderprogramma is grotendeels gebaseerd op politieke prioriteitstelling in plaats van op wetenschappelijke relevantie. Zo is bijvoorbeeld geld gereserveerd voor een project naar verbetering van kurk omdat Portugal dreigde anders het kaderprogramma te treffen met een veto. En zo werd met een creatieve toepassing van kurk een morrende lidstaat binnenboord gehouden.

Zolang de lidstaten weigeren zeggenschap over de kwestie af te staan aan het Europese parlement, blijft het kaderprogramma waarschijnlijk een verzameling betrekkelijk willekeurige, door afzonderlijke lidstaten ingebrachte onderzoekdoelen. Op 9 juni 1994 kiezen wij een nieuw Europees parlement. Welk motief dr.ir. N. Hazewindus ook moge leiden bij het uitbrengen van zijn stem, het zal in elk geval niet het Europese technologiebe­leid zijn, gezien de geringe invloed daarop van het parlement. Het is de Europese volksvertegenwoordiging zelfs niet gelukt medezeggenschap te krijgen over de uitvoering van het kaderprogramma.

Ha­zewindus kent het Europese technologiebeleid – voor zover het de informatie- en communicatietechnologie betreft – goed vanuit zijn functie bij Philips, waar hij verant­woorde­lijk is voor de coördi­natie van produkt­ontwikkeling. Philips doet vooral mee aan de onderzoekprojecten op het gebied van informatietechnologie. Het deelprogramma voor IT is met 4,15 miljard gulden het grootste binnen het kaderprogramma.

Voor veran­dering in het technolo­giebe­leid hoef je niet te gaan stemmen – je moet er voor lobbyen bij je eigen rege­ring en bij de Euro­pese Commis­sie in Brussel, waaraan de regerin­gen van de Unie de uit­voering van het programma hebben gedele­geerd.

 

Samenwerken met concurrenten

De belangrijkste opbrengst van de drie voorgaande kaderprogramma’s is volgens Hazewindus niet zozeer de kennis die het heeft opgeleverd, maar eerder de grensoverschrijdende menselijke netwerken: de relaties tussen onderzoekers van bedrij­ven uit verschillende landen van de Unie. In het voetspoor van de onderzoe­kers hebben ook mana­gers dank zij deelname van hun bedrijf aan een Europees onder­zoekproject relaties aange­knoopt met colle­ga’s bij concurren­ten in andere EU-landen. Het wederzijdse vertrou­wen dat daar­door is ontstaan vergemakkelijkt gezamen­lijk opereren tegen­over Amerikaanse en Japanse concurr­enten op de wereld­markt. Hazewindus: ‘Phi­lips heeft een dis­cussie gehad met SGS Thompson binnen het project voor onder­zoek naar een nieu­we fijnere halfgeleider Jessi (Joint Euro­pe­an Submi­cron Silli­con). Die heeft geleid tot een deal om samen een nieuwe generatie technolo­gie te ontwikke­len voor geïntegreerde schakelingen in een laboratorium in Frankrijk.’

Hoewel het ontstaan van netwerken in eerste instantie slechts een neveneffect is van de Europese onder­zoeksubsidiëring, vindt Hazewindus het toch wel erg navrant dat de Europese Commissie vervol­gens een verdergaande, meer marktgeoriënteerde samenwerking niet wil ondersteunen.

Haze­windus: ‘Toen Esprit eenmaal goed liep, wilde de industrie kijken naar wat meer inte­grale, dichter bij de markt liggende projec­ten, Technolo­gy Integrati­on Pro­jects, kortweg TIP’s. Op een zeker moment werd Leon Brittan Europees commissaris voor mededinging. Hij was bang dat de commis­sie via Esprit bezig was met het subsidië­ren van Europe­se kar­tels-in-wording.’ Een vrees die vooralsnog ongegrond is, omdat de deelnemende bedrijven hun samenwerking beperken tot terreinen die niet wezenlijk zijn voor hun voortbestaan of terreinen waarop zij niet elkaars concurrent zijn.

‘Het gemakkelijkst is natuurlijk verticale samenwerking; Philips als leverancier van componenten en Alcatel als gebruiker van die componenten. Als je toch besluit met concurrenten samen te gaan werken, gaat het vaak alleen goed als er een duide­lijke schei­ding is op het gebied waarop je samenwerkt en het gebied waarop je elkaars concurrent bent. Zo blijkt het betrekkelijk gemakkelijk te zijn samen te werken op het gebied van de produktietechnologie omdat dit niet weerspiegelt wat je in de markt doet. Samen produktietechnologie delen is gemakke­lijker dan samenwerken in produkttechnologie, in bijvoorbeeld een ontwerp voor digi­tale audiobroadcasting of HDTV.’

 

Marktverkenning

Over het primaire doel, het verbeteren van de Europese concurrentiepositie door het voortbrengen van technologische kennis, koestert Hazewindus geen al te hoge verwachtingen. ‘Kijk, een deelprogramma zoals Esprit (European Strategic Programm for Research and development in Informa­tion Technology) redt de Europe­se industrie niet. Het helpt slechts bij het oplossen van een technologieprobleem.’

‘Maar in het hele wordingsproces van het ontstaan van idee tot aan marktrijp produkt, is techno­logie maar een beperkt deel van het traject.’ Daarom schreef de Commissie in het werkdocument voor het kaderprogramma dat waar de eerste drie programma’s ’technology push’ als uitgangspunt hadden (autonome technologie-ontwikkeling creërt zijn eigen afzetmarkt), het vierde programma geënt diende te zijn op behoeften vanuit de markt. ‘Maar het is natuur­lijk zeer de vraag of je als Europese Unie in dat tweede deel van het traject, de markt­verkenning, zinvol bezig kunt zijn.’

Het gaat er dan immers om je concurrenten met onderzoek te slim af te zijn en dat verdraagt zich niet met de politieke eis dat de Europese Unie alleen pre-compe­titieve en pre-normatieve pro­gram­ma’s subsidieert.

‘Bovendien is marktverkenning, kijken of de te verwachten onderzoekresulta­ten tot verkoopbare toepassingen zullen leiden, iets dat in eerste in­stan­tie de bedrij­ven behoren te doen. Die kennen hun klanten. Ik vind dat eigenlijk geen onderwerpen die ge­schikt zijn voor Europese technologieprogramma’s, tenminste zolang die een sterk top-down, door Brussel beïnvloed karakter hebben waarin bottom-up-initiatieven niet zo worden gewaardeerd.’

‘Toch zijn wij zeer tevreden over wat dank zij de afgelo­pen drie kaderpro­gam­ma’s tot stand is gekomen. Een aantal basistechnologieën heeft een hele stevige zet naar voren gekregen. Bijvoorbeeld die van de integrated circuits. Esprit en Jessi hebben daar duide­lijke invloed op ge­had.’

Voor Philips zelf geldt dat een onderzoekproject in de applicatiesfeer van grote invloed is geweest op het systeemcon­cept van de interactieve compact disc, cd-i. Daarnaast heeft Euro­pees onderzoek een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van litho­gra­fieap­paratuur van ASM Litho, eigen­dom van Philips, die momen­teel de beste ter Wereld is. Er zijn geen ‘grote produk­ten’ aan te geven die te danken zijn aan Europese onderzoek­projec­ten, maar in veel produk­ten is er wel wat van terug te vin­den.

 

Tegenstrijdige doelen

Bedrijven blijken dus uitstekend in staat om zelf ‘Europese kennis’, die op zichzelf geen concurrentievoordeel verschaft omdat ze niet direct commercieel bruikbaar is, toe te passen bij het ontwikkelen van een verkoopbaar, concurrerend produkt.

De Europese Commissie hoeft bedrijven niet met de neus op de markt te drukken, dat doet de markt zelf wel, zoals Philips heeft ondervonden. Hazewindus: ‘Philips heeft weliswaar langdurig en consequent gewerkt aan een goede technologiebasis op het gebied van geïntegreerde circuits, maar in het verleden welicht met te veel de nadruk op de techno­logie en te weinig op de commerciële toepasbaarheid in produkten. Omdat we een sterke consumen­ten­sec­tor hebben, zijn we traditio­neel sterk in de IC’s voor de consu­mentenprodukten. Nu hebben we een succesvolle chip voor desk­top­vi­deo en een TV op één chip. Dit soort applicaties kan alleen het bedrijf ontwikkelen dat zijn markt kent. Zoiets komt niet uit Brussel, al worden ze mede mogelijk gemaakt door in Esprit en Jessi ontwikkelde technologie.’ Volgens Hazewindus leidt de flirt met het marktdenken in de Europese subsidiebure­len alleen maar tot een amorfe waslijst van onderzoekthema’s.

‘De Commissie moet geweldig oppas­sen dat zij niet door­schiet naar de andere kant en als het ware de gebruikers gaat vragen: heren, wat had u gedacht. Als je gebruikers vraagt wat ze nodig hebben, krijg je twee soorten reacties. Of een zeer duide­lijk omlijnd verzoek, dat meestal is ingegeven door kennis die al aanwezig is; dus dan is het onderzoekstadium al gepas­seerd. Of een wens die juist heel vaag is omdat de gebruiker geen idee heeft van de mogelijkheden die technologisch onderzoek zou kunnen bie­den.’

‘Het resultaat van die vaagheid is een lijst met doelstellingen die zeer lang is en waarvan veel doelstellingen ook met elkaar in strijd zijn.’ Inderdaad lijkt het kaderprogramma geschreven door iemand die onder een omvallende boekenkast is terechtgekomen: alles is even mooi, zinvol en belangrijk.

‘De voor­waarden voor informa­tie- en communicatietechnologiepro­gramma’s van de Europese Unie zoals die nu circuleren, stellen bijvoor­beeld dat program­ma’s zowel marktgericht als pre­competi­tief moeten zijn. Dat ze zich moeten richten op de sterke kanten van de Europese industrie, maar ook dat ze zwak­kere landen moeten hel­pen. Dat zijn tegengestelde doelen. Dat is de hoofdlijn van mijn kritiek op het vierde kaderpro­gramma. Ik denk toch dat een kans wordt gemist om een paar keuzen te maken. Daarbij bestaat de neiging te veel van de programma’s te eisen. Er wordt te veel al het heil van ver­wacht.’

‘Een discussie over de waarde, de prestaties van een technologie, kortom een technologi­sche evaluatie, is nog enigszins hanteerbaar. Als je daarnaast ook nog een discus­sie moet gaan voeren over de inschatting van de commerciële toepasbaar­heid van een technologie, is het eind zoek. De discussie wordt dan omvangrijker en navenant vager en ik denk dat dat de kwaliteit van onderzoekprogramma’s niet ten goede zal komen.’

 

Strategische toepassingsgebieden

Rijst de vraag hoe het dan wel moet.

‘Wat wij hebben gezegd, een beetje in navolging van de commissie van dr. W. Dekker in het evalua­tie­rapport over het lopende kader­programma, komt er op neer dat je een aantal strategische toepassingsgebieden, application foci, moet definiëren. Bijvoorbeeld op het gebied van de consumen­ten­elektro­nica het hele gebied van multimedia. Op het gebied van de telecommu­ni­catie bijvoor­beeld mobiele communi­catie.’ Er worden dan onderzoekprojecten geselecteerd die weliswaar op zichzelf staan, maar wel een kennisbijdrage leveren aan alle ‘application foci’. Hazewindus: Op zo’n manier ben je gericht bezig in een bepaalde markt, bijvoorbeeld bij de consumenten-elek­tronica een bepaald aspect, bijvoorbeeld multimedia, te verster­ken.’

‘Daarnaast is meer aandacht nodig voor twee basistechnologieën hardware – componenten – en softwaretechnologie. Bij bedienings­program­matuur is meer aandacht nodig voor verschijnselen zoals de mens-machinerelatie. Ik heb dat wel eens gammatechno­logie genoemd: technologie die wordt gecombineerd met gedragsweten­schap. Hoe een mens omgaat met zijn computer, daar komt een gemiddelde wiskundige niet op tijdens het schrijven van soft­ware. Het aspect van de gebruikersvriendelijkheid, daar zou bijvoorbeeld een antropoloog best nog eens zijn licht over kunnen laten schijnen. Door vergaandere toepas­sing van gamma­kennis wordt informa­tica toegan­kelijk voor veel grotere groe­pen mensen dan tot nu toe; dat is essentieel.’

Marktbehoefte als selectiecriterium voor onderzoeksubsidiëring is in zoverre verleidelijk dat het een objectief criterium is. Niemand bepaalt de markt. Die bepaalt zichzelf. De criteria zijn nu subjectief. Ze dienen vooral de hogere politieke evenwichtskunst: voor elke lidstaat wat wils.

 

Starre procedure

De vraag rijst of op het gebied van de technologie-ontwikkeling de oplossing niet kan worden toegepast die Europa in de ruim­tevaart met succes heeft toegepast met het agentschap Esa. Esa-lidstaten zijn verplicht tot deelname aan een ba­sisprogramma dat alleen zuiver wetenschappelijk onderzoek behelst en kunnen daarnaast naar keuze deelnemen aan toepas­singsprojecten op gebieden zoals aardobservatie en telecommu­nicatie. De keuze van thema’s wordt niet alleen bepaald in het politieke gremium (de raad van Europese ministers onder wie nationale ruimtevaart resorteert), maar voor een groot deel ook in het wetenschappelijke gremium: de raad van bestuur van Esa zelf.

Hazewindus denkt dat die opzet weinig kans van slagen heeft voor het totale Europese technolo­gische onderzoek. De politiek zal zich die invloed niet laten ontfutselen. Maar het idee is aanlokkelijk en hij heeft er wel een paar concrete opmerkingen over: ‘Het zou klein moeten zijn, met medewerkers van hoge kwali­teit en een roulerende staf. Want wat je ziet is dat de mensen bij de Europese Commissie die de onderzoekthema’s in het kader­programma beschrijven, ook een bepaalde thematische kennis hebben opgebouwd. Daardoor krijgen zij een zekere starheid. Het is moeilijk nieuwe onder­werpen naar binnen te krui­en, zoals dat thema van de toepassing van gedragswetenschappen op de relatie tussen mens en computer. Daar is dan niemand die zich daar echt mee bezig houdt.’

Een autonoom agentschap kan ook gemakkelijker inspelen op nieuw opkomende thema’s. Behalve starheid is ook traagheid een kenmerk van de huidige procedure voor het maken van een kaderprogramma.

‘Er is een discrepantie met de snel­heid van technologische ontwikkelingen die de procedure haast onwerkbaar maakt. We hebben al in de herfst van 1991 met de Europese Commisie gesproken over het werkplan, terwijl het kaderprogramma pas in 1995 daadwer­kelijk begint te werken. Een beleidsnota van de commissie over multimedia en informatietechnolo­gie, het recent verschenen witboek, blijkt heel moeilijk nog in te brengen in het ontwerpkaderpro­gramma. Er wordt wat dat betreft te veel afgegeven op de commissie. Het is meer dat een nieuwe inbreng op het laatste moment het moeizaam bereikte politieke evenwicht weer verstoort.’

 

Informatie over het Vierde Kaderprogramma is te krijgen bij EG-Liaison, een adviescentrum dat de deelname bevordert aan Europese technologieprogramma’s. Adres: Grote Marktstraat 43. Postbus 13766, 2501 ET Den Haag, tel. (070) 346 72 00, fax (070) 356 28 11.

 

 

 

 

 

(QUOTE BIJ PORTRETFOTO)

‘Een programma zoals Esprit redt de Europe­se industrie niet. Het helpt slechts bij het oplossen van een technologieprobleem’, dr.ir. N. Hazewindus

(Foto: Bas Bakermans, Veldhoven)

 

 

(QUOTE)

‘Toch zijn wij zeer tevreden over wat dank zij de afgelo­pen drie kaderpro­gam­ma’s tot stand is gekomen. Een aantal basistechnologieën heeft een hele stevige zet naar voren gekregen’

 

 

 

(BIJSCHRIFTEN)

 

(BIJ FOTO 1)

Chipproduktie bij Philips, dat vooral meedoet aan de Europese onderzoekprojecten op het gebied van informatietechnologie.

(Foto’s: Philips, Eindhoven)

 

(BIJ FOTO 2)

Een Europees onderzoekproject in de applicatiesfeer is van grote invloed geweest op het systeemcon­cept van de interactieve compact disc van Philips.

Nemo (Impuls) 1994, nr. 9, 24 mei

Niederlande 2012(Streamer)
OPVOLGER VAN TECHNOLOGIEMUSEUM NINT + PLAN KOST 80 MILJOENGULDEN

(Bovenkop)
Bouw van Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie
(Kop)
Impuls voor de vooruitgang

(Intro)
Amsterdam krijgt er een zeer opvallend gebouw bij. HetNationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie ‘Impuls’wordt bovenop de inrit van de IJtunnel gebouwd. Begin 1996 wordt ‘het modernste centrum in Europa op het gebied van technologievoorlichting’ geopend. © Erwin van den Brink ©

Een persconferentie in Amsterdam waar een ambitieusbouwproject wordt gepresenteerd is natuurlijk niet compleetals er niet ten minste een protesterende bewoner zijn opwachting maakt om zijn mond open te doen. Het ontwerp van de Italiaanse architect Renzo Piano voor een Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie is ‘een monster in een vissenkom’ volgens een woonbootbewoner die zijn kat altijd uitliet bij de ingang van de IJtunnel ‘voordat hij overleed’.
Het moet gezegd: er is ook wel lef voor nodig om een prestigieus gebouw neer te zetten bovenop zo’n desolate plek zoals de inrit van de IJtunnel aan het Oosterdok in Amsterdam, waar nu alleen maar de hele dag auto’s in en uit razen. Maar de wanklank bleek toch niet meer dan lokale folklore.
Grote vraagstukken behoeven pretentieuze antwoorden. Nederland kampt met een groot probleem. Op het moment dat de Wereld eentechnologische impuls meemaakt, lijkt Nederland zich van de Wereld af te keren. We hebben te weinig betastudenten en ‘er is in alle bedrijfstakken een achterstand in innovatie’, aldus de minister van Economische Zaken Andriessen, wiens ministerie een van de sponsors van het project is.
Dat project behelst de bouw van ‘het modernste centrum in Europa op het gebied van technologievoorlichting’, aldus dr.W. van Gelder, secretaris technologiebeleid bij het VNO. Het antwoord is pretentieus. Een gebouw dat als de boeg van eentriomfantelijke oceaanstomer van wal steekt, het Oosterdok in. Met sierlijke, gekromde lijnen in het horizontale en het verticale vlak.

‘Ik doe en ik begrijp’

Tijdens de presentatie in de Beurs van Berlage werd het ontwerp van ‘Impuls’ toegelicht door de Italiaanse architect Renzo Piano, die ook Centre Pompidou in Parijs en Potzdamer Platz in Berlijn ontwierp. Het dak van het gebouw (het dek vande oceaanstomer) heeft een helling in noordelijke richting van 8 tot 9 graden waardoor het een trappenplein wordt, een ‘piazza’, met zicht op het zuiden, op de stad. Het openbare plein aan het water helt van 14 meter boven het maaiveld aan landzijde tot 32 meter boven het maaiveld. Het hellende plein zal bereikbaar zijn via een hellingbaan die parallel aan de toegangsweg tot de IJtunnel komt te lopen.‘

 

Het Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie ‘Impuls’ zet de traditie voort van het in 1923 door Herman Heijenbrock opgerichte ‘Museum van den arbeid’ en wordt de directe opvolger van de initiatiefnemer, het Amsterdamse Technologiemuseum NINT. Vanaf het midden van de jaren tachtigis aan het plan gewerkt.
Het plan kost in totaal 80 miljoen gulden; het gebouw zelf (compleet ingericht, turn key) 69,5 miljoen. Behalve door het Rijk, de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam wordt het project gefinancierd door de Samenwerkende Elektriciteitsproduktiebedrijven (Sep), het overlegorgaan Produktie Sector (OPS), EnergieNed, Kema, Shell, IBM, ABN Amro, de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie, Philipsen Norgren Martonair.
Het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) fourneerde 5 miljoen gulden. Het centrum krijgt namelijk ook de functie om jongeren voor te lichten over technische beroepen. ‘Kiezen voor techniek is kiezen voor werk’, meent EZ. Andriessen: ‘Het gaat om de jeugd, de zeer jonge jeugd.’De bewindsman citeerde een Engels motto: ‘Ik luister en ik vergeet. Ik zie en ik onthoud. Ik doe en ik begrijp het.’ Dejeugd kan straks in ‘Impuls’ dus vooral veel dingen echt doen, aan den lijve ondervinden.

Ontdekkingsrui
De bouw start eind 1994. De opening zal begin 1996 zijn. Er worden 600.000 tot 800.000 bezoekers per jaar verwacht.’Impuls’ krijgt 12.000 vierkantem meter vloeroppervlakte. Daarvan is 4300 m. bestemd voor het Exploratorium, zeg maar de ‘ontdekkingsruimte’ waarin wij naar hartelust via practica de wereld der natuur kunnen verifieren in onze eigen beleving (‘Ik doe en ik begrijp’). Verder zijn er een filmtheater, een theater voor wetenschapshows, congresfaciliteiten, een informatiecentrum voor beroepen en opleidingen. In het exploratorium kan de bezoeker zich orienteren op vijf hoofdthema’s: mensheid, technologie, energie, communicatie en fenomenen. Er komt zelfs een apart exploratorium voor kinderen van vier tot acht jaar (‘De zeer jonge jeugd’).
Er is ooit eens uitgerekend dat als wij alle techniek zouden verbannen, onze Aarde slechts tien miljoen mensen in leven zou kunnen houden. We zijn nu met vijf miljard mensen. Dat zegt iets over het belang van techniek. Doordat de Aarde, en Nederland in het bijzonder, door al die techniek zo dichtbevolkt is, staan er altijd en overal mensen op die een gebouw een monster in een vissenkom noemen. Zonder techniek zou dat gebouw er niet zijn, maar ook die mensen niet.

(BIJSCHRIFTEN)
Maquette van het Nationaal Centrum voor Wetenschap enTechnologie ‘Impuls’, dat wordt gebouwd bovenop de inrit vande IJtunnel in Amsterdam.

Vooraanzicht van ‘Impuls’; het dak van het gebouw (het dek van de oceaanstomer) heeft een helling in noordelijke richting van
8 tot 9 graden waardoor het een trappenplein wordt, een’piazza’.

Ingenieurs geven les op school (1994, nummer 7)

 

http://www.kmeov.nl/woensdag-22-maart-dag-van-de-ingenieur/
Op woensdag 20 maart 2013 organiseerde het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs KIVI NIRIA en Branchevereniging NLingenieurs samen met De Ingenieur en Technisch Weekblad voor de 5e keer de Dag van de Ingenieur. Op deze dag wordt de Ingenieur van het Jaar bekendgemaakt. Ook ontvangt de meest ingenieuze en vindingrijke ingenieursoplossing De Vernufteling.
Met de verkiezing van de Ingenieur van het Jaar wordt zichtbaar gemaakt welke meerwaarde ingenieurs hebben voor de maatschappij. De ingenieur die deze meerwaarde het beste laat zien, mag met de titel Ingenieur van het Jaar een jaar lang ambassadeur van de techniek zijn.
Op de basisscholen werden gastlessen verzorgd. De belangstelling hiervoor was erg groot, maar ook de KMS was hiervoor geselecteerd. Op deze woensdag werd er een gastles gegeven aan de plusgroep over civiele techniek. Onze gastspreker deze ochtend was Peter Galavazi.Peter is een trainee bij Jelmer, de civiele toekomst. Hij gaf een online presentatie . Deze gastles werd ook mogelijk gemaakt door Jelmer, de civiele toekomst.

1994, 7

(Streamer)

TECHNIEK VOOR KINDEREN + PROEFPROJECT VAN KIVI EN NIRIA + INGENIEURS ALS GASTDOCENT

 

(Bovenkop)

Ingenieurs geven les op school

 

(Kop)

Hoe verder na het slopen van een wekker?

 

(Intro)

Hoe breng je kinderen tot een keuze voor een technische studie? KIvI en NIRIA confronteren de kinderen met echte ingenieurs voor de klas. Als gastdocent gaf ing. Marco van Helden uitleg over de werking van een elektriciteitscentrale aan 13-jarigen.

– Erwin van den Brink –

Op woensdag 20 maart 2013 organiseerde het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs KIVI NIRIA en Branchevereniging NLingenieurs samen met De Ingenieur en Technisch Weekblad voor de 5e keer de Dag van de Ingenieur. Op deze dag wordt de Ingenieur van het Jaar bekendgemaakt. Ook ontvangt de meest ingenieuze en vindingrijke ingenieursoplossing De Vernufteling. Met de verkiezing van de Ingenieur van het Jaar wordt zichtbaar gemaakt welke meerwaarde ingenieurs hebben voor de maatschappij. De ingenieur die deze meerwaarde het beste laat zien, mag met de titel Ingenieur van het Jaar een jaar lang ambassadeur van de techniek zijn. Op de basisscholen werden gastlessen verzorgd. De belangstelling hiervoor was erg groot, maar ook de KMS was hiervoor geselecteerd. Op deze woensdag werd er een gastles gegeven aan de plusgroep over civiele techniek. Onze gastspreker deze ochtend was Peter Galavazi.Peter is een trainee bij Jelmer, de civiele toekomst. Hij gaf een online presentatie . Deze gastles werd ook mogelijk gemaakt door Jelmer, de civiele toekomst.
Op woensdag 20 maart 2013 organiseerde het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs KIVI NIRIA en Branchevereniging NLingenieurs samen met De Ingenieur en Technisch Weekblad voor de 5e keer de Dag van de Ingenieur. Op deze dag wordt de Ingenieur van het Jaar bekendgemaakt. Ook ontvangt de meest ingenieuze en vindingrijke ingenieursoplossing De Vernufteling.
Met de verkiezing van de Ingenieur van het Jaar wordt zichtbaar gemaakt welke meerwaarde ingenieurs hebben voor de maatschappij. De ingenieur die deze meerwaarde het beste laat zien, mag met de titel Ingenieur van het Jaar een jaar lang ambassadeur van de techniek zijn.
Op de basisscholen werden gastlessen verzorgd. De belangstelling hiervoor was erg groot, maar ook de KMS was hiervoor geselecteerd. Op deze woensdag werd er een gastles gegeven aan de plusgroep over civiele techniek. Onze gastspreker deze ochtend was Peter Galavazi.Peter is een trainee bij Jelmer, de civiele toekomst. Hij gaf een online presentatie . Deze gastles werd ook mogelijk gemaakt door Jelmer, de civiele toekomst.

Wie in de techniek werkt, heeft, evenals ing. Marco van Helden, doorgaans als kind wel eens een wekker uit elkaar gehaald. Maar niet ieder kind dat een wekker sloopt kiest later een technisch beroep. Ondanks de vele gedemonteerde wekkers en radio’s in Nederlandse kinderkamers, lijden de technische beroepen aan een chronisch gebrek aan belangstelling.

Terugkijkend op zijn jeugd probeert Van Helden te reconstrueren hoe hijzelf als kind is beïnvloed in zijn beroepskeuze. Of: hoe ga je verder na het slopen van een wekker? Hoe vorm je prille belangstelling voor techniek om tot beroepsmatige interesse, vraagt hij zich af.

Eén manier is om echte ingenieurs voor de klas te zetten. Van Helden is een ingenieur die bij wijze van proef gastlessen heeft gegeven aan klassen in de basisvorming van het voortgezet onderwijs. De proef, opgezet door het KIvI en NIRIA, is bedoeld om het heersende beeld van techniek (saai, ouderwets, abstract en moeilijk) bij leerlingen in het voortgezet onderwijs te doorbreken. In januari gaf Van Helden, ingenieur bij energieproducent Epon in Zwolle, les aan twee klassen van de Maarten van Rossem-scholengemeenschap in Arnhem: een ivbo-klas (ivbo staat voor ‘individueel voorbereidend beroepsonderwijs’) en een mavo-klas. De lessen werden afgesloten met een bezoek aan een elektriciteitscentrale van Epon.

 

Jong en spannend

Hoewel ingenieurs nu als gastdocent een officiële toegang kunnen krijgen in het algemeen vormend onderwijs, sinds vorig jaar het vak techniek verplicht werd geïntroduceerd, is dat niet genoeg. Techniekdocenten moeten meer appelleren aan het zingevingsmotief bij leerlingen die voor hun beroepskeuze staan, vindt Van Helden.

‘Waarom kiest iemand voor een verzorgend beroep in plaats van een technisch beroep? Omdat het een ideaal is, een roeping.’ Waarom kan techniek geen roeping zijn, peinst hij. Zorg voor techniek is, zij het vaak indirect, toch ook zorg voor mensen. Techniek is nodig om honger en ziekte te bestrijden, om het milieu te beschermen. Techniek is ook een dagelijkse behoefte van alle mensen. ‘Maar techniek heeft een imagoprobleem’, zegt Van Helden. ‘Het staat te boek als saai en ouderwets. Het nieuwe vak techniek biedt een mooi aanknopingspunt om dat beeld te veranderen in: techniek is jong en spannend.’

Misschien is techniek te vanzelfsprekend geworden. ‘Draai in een klaslokaal waar behalve de verlichting nog wat zaken aanstaan zoals een overheadprojector en een ventilator, eens de hoofdschakelaar uit. Dan zie je hoe belangrijk en onmisbaar zoiets gewoons als elektriciteit is.’

Dat kan Mery Marijt (13 jaar, mavo) inmiddels beamen, blijkens het werkstuk dat zij maakte naar aanleiding van de lessen die Van Helden gaf. ‘Ik heb geleerd dat je heel zuinig moet zijn met elektriciteit’, schrijft ze, ‘want als elektriciteit stopt, dan zullen er rampen gebeuren. Bijvoorbeeld: geen telefonisch contact, de fabrieken kunnen geen middelen meer produceren, de lichten gaan uit, de boten kunnen niet verder varen want de bruggen kunnen niet meer open, enzovoorts.’

 

Confrontatie met techniek

Er is wel degelijk een lijn te trekken van technisch spelen en spelenderwijs ontdekken naar technisch werken. ‘Techniek gaat over hele basale dingen’, zegt Van Helden. Hij tekent een schema van elektriciteitsopwekking: een fluitketel die stoom maakt, die een windvaan laat draaien die aan een fietsdynamo is gekoppeld. ‘Iedere jongen of meisje kan dat thuis maken. Maar in principe werkt elektriciteitsopwekking in het groot ook zo. Alleen hangen er dan allemaal ingewikkelde systemen omheen om het proces van stroomopwekking te vervolmaken. Maar iedereen kan begrijpen wat er gebeurt in zo’n grote centrale.’

Toch doet de confrontatie met techniek bij sommige kinderen als snel de drang ontwaken om de essentie van het onderwerp te kennen in al zijn abstractie: ‘Elektriciteit is een van de fundamentele krachten die alle materie samenhoudt’, schrijft Bas van de Berg (13 jaar, mavo) in zijn werkstuk over het bezoek aan een energiecentrale van Epon. Maar dat gevoel krijg je dan ook wel als je de gigantische turbines en generatoren hoort draaien. ‘Eerst dacht ik, er is helemaal niks aan. Maar toen ik er mee begon, vond ik het leuk. Ik heb er vrij veel van geleerd’, besluit Bas.

Voor Van Helden zélf was techniek zijn eerste keuze. ‘Natuurkunde vond ik op school altijd machtig interessant.’ Na de lagere school ging hij eerst naar de mavo, toen toch de MTS en vervolgens naar de HTS op de Rijkshogeschool Groningen waar hij Algemene Operationele Technologie studeerde. Nu hij als ingenieur werkt bij de Elektriciteits Produktiemaatschappij Oost- en Noord-Nederland (Epon) is hij eigenlijk nog steeds in de leer. Van Helden zit in de interne opleidingspool, het zogenoemde management-developmentprogramma. Eigenlijk gaat hij dus nog steeds elke dag een beetje naar ‘school’. ‘Toen Epon iemand uit de opleidingspool wilde aanwijzen om op een middelbare school een aantal lessen in het nieuwe vak techniek te geven, stond voor mij vast dat ik dat zou moeten gaan doen.’

 

Excursie of uitstapje

Het balletje werd aan het rollen gebracht tijdens een symposium dat de TU Eindhoven op 21 oktober 1992 hield, in samenwerking met de Stichting Maatschappij en Onderneming, onder het motto ‘Beroepsperspectieven voor technici’. Tijdens die bijeenkomst vroeg de voorzitter van de Adviesraad voor Wetenschap en Techniek, dr. P. Kramer, aan KIvI-president Van Engelshoven en NIRIA-voorzitter De Steur of zij leden bereid konden vinden gastlessen te geven op scholen voor voortgezet onderwijs. Een projectgroep onder leiding van NIRIA-directeur Van Helvert, met mensen van KIvI, NIRIA, het VNO, de FME en de Vereniging voor Docenten Techniek (VeDoTech) bereidde twee proefprojecten voor, één in de regio Arnhem en één in de regio Eindhoven.

Het project in de regio Eindhoven gaat binnenkort van start op een school in Nuenen en een school in Woensel. Er zullen drie bedrijven aan meewerken: Brabantia (huishoudelijke artikelen), Greenland (landbouwwerktuigen) en Bova (autobussen).

Toch zijn niet alle leerlingen rijp voor de boodschap dat er toekomst zit in techniek. Van Helden: ‘Een van de bevindingen van het project is dat de excursie naar een elektriciteitscentrale van de Epon niet besteed is geweest aan de ivbo-klas. Die leerlingen zagen het teveel als een uitstapje. De mavoleerlingen daarentegen vroegen ons het hemd van het lijf. Voor het project is dat een hele goede constatering.’

 

 

 

 

(QUOTES)

‘Als elektriciteit stopt, dan zullen er rampen gebeuren’, Mery Marijt (13)

 

‘Elektriciteit is een van de fundamentele krachten die alle materie samenhoudt’, Bas van de Berg (13)

 

 

 

 

(FOTOBIJSCHRIFTEN)

Ing. Marco van Helden: ‘Iedereen kan begrijpen wat er gebeurt in zo’n grote elektriciteitscentrale.’

(Foto: Jan Drost, Zwolle)

 

De lessen werden afgesloten met een bezoek aan een elektriciteitscentrale van Epon.

(Foto: Thea van den Heuvel, Nijmegen)

Industriebeleid in Nederland: De overheid als stiefmoeder van de industrie (DI, 7, 26 april 1994

Die neueste Ausgabe des Forschungsmagazins Pictures of the Future beschäftigt sich mit den Themen virtuelle Fertigung, Materialien für die Umwelt und nahtlose Kommunikation. Das Siemens-Magazin liefert Antworten darauf, wie die Zukunft der industriellen Produktion aussieht und welche Vorteile und Veränderungen das für die Arbeitswelt, die Unternehmen und jeden Einzelnen mit sich bringt. Im zweiten Schwerpunkt berichtet das Magazin darüber, wie sehr die Materialwissenschaft zur Reduktion des Klimawandels beitragen kann. Außerdem beleuchtet das Magazin eine der bedeutendsten Querschnittstechnologien unserer Zeit: die Kommunikationstechnik. The latest issue of the research magazine Pictures of the Future focuses on the areas of virtual production, environmentally friendly materials, and seamless communication. The Siemens magazine describes what industrial production will look like in the future, evaluates the advantages and transformations it will bring to the workplace and companies, and looks at how individuals will be affected. The issue also reports on the contributions that materials science can make to reducing global warming. In addition, it takes a close look at one of the most significant crossover technologies of our time: communication technology.
Die neueste Ausgabe des Forschungsmagazins Pictures of the Future beschäftigt sich mit den Themen virtuelle Fertigung, Materialien für die Umwelt und nahtlose Kommunikation. Das Siemens-Magazin liefert Antworten darauf, wie die Zukunft der industriellen Produktion aussieht und welche Vorteile und Veränderungen das für die Arbeitswelt, die Unternehmen und jeden Einzelnen mit sich bringt. Im zweiten Schwerpunkt berichtet das Magazin darüber, wie sehr die Materialwissenschaft zur Reduktion des Klimawandels beitragen kann. Außerdem beleuchtet das Magazin eine der bedeutendsten Querschnittstechnologien unserer Zeit: die Kommunikationstechnik.
The latest issue of the research magazine Pictures of the Future focuses on the areas of virtual production, environmentally friendly materials, and seamless communication. The Siemens magazine describes what industrial production will look like in the future, evaluates the advantages and transformations it will bring to the workplace and companies, and looks at how individuals will be affected. The issue also reports on the contributions that materials science can make to reducing global warming. In addition, it takes a close look at one of the most significant crossover technologies of our time: communication technology.

 

Industriebeleid in Nederland  Overheid als stiefmoeder  van de industrie

(Hier de PDF)Industriebeleid1994

Is Nederland een postindustriële  samenleving geworden of zijn er toch nog  kansen voor de industrie? Een aantal  deskundigen geeft in het zicht van de  verkiezingen antwoord op deze vraag en  bekijkt kritisch de rol van de overheid.  ‘De overheid moet een aantal lange-  termijndoelen definiëren op het gebied  van fundamenteel onderzoek’, aldus  oud-minister Van Aardenne.

 

– Erwin van den Brink –

 

Aan de vooravond van de Tweede-Kamer-  verkiezingen staan industriepolitiek en  technologiebeleid hoger op de agenda  dan ooit het geval lijkt te zijn geweest. De voorlopige apotheose in de show van over economie debatterende politieke en wetenschappelijke kopstukken vormde het door het ministerie van Economische Zaken op touw gezette Platform Globalisering.

 

 

 

‘We moeten er van af  dat technologiebeleid in  dit land conjunctuurpolitiek is; alleen als het  slecht gaat met de  industrie, is er veel politieke aandacht voor. Dat  is het griezelige ervan’,  drs. G. van Aardenne.  Meer nog dan in de jaren zeventig, toen Neder-  land bezig was de textielindustrie en de grote  scheepsbouw kwijt te raken, is nu een proces  gaande van wereldwijde industriële herverkaveling waarbij sommige Derdewereldlanden ons al  voorbij zijn gestreefd in bepaalde hoogwaardige  technologieën zoals de bouw van satellieten.  Binnen bedrijven die jarenlang in Nederland de  technologische koplopers waren, zoals Philips en  Fokker, moet de techniek haar primaat prijsgeven  aan de marketing. De technologiecurve vlakt af.  De intrinsieke verbetering van elke volgende  nieuwe versie of generatie van een product marginaliseert. Productcycli worden korter. Design en  time-to-market worden dan steeds belangrijker.  ‘Het gaat dan om de innovatieketen. Op maatschappelijk terrein begint dat met onderwijs en  wetenschapsbeoefening en op ondernemingsniveau gaat het verder met R&D, inkoop, produktie,  marketing, promotie. Binnen het bedrijf moeten  ondernemerschap en technologie samengaan’,  zegt dr. Wim van Gelder, secretaris technologiebeleid bij het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO).

 

Vooral consumentenproducten raken steeds  sneller gedateerd – of het nu om de auto van het  jaar 1994 gaat of om de gebruikersinterface van  computersoftware. Gebruikerscriteria zijn zeer  aan mode onderhevig. Ingenieurs dreigen ‘mode-ontwerpers’ te worden.

 

Technologie volgroeid

 

Is dit nu een universeel verschijnsel? Zijn wij – om  de eigentijdse historicus Francis Fukuyama te parafraseren – gekomen bij ‘het einde van de techniek en de laatste ingenieur’, in de postindustriële  samenleving waarin de industrie al haar arbeid  heeft uitgestoten en arbeidsinkomen alleen nog  wordt verdiend met dienstverlening?

 

Natuurlijk niet, meent prof.ir. Rik van der Ploeg,  kandidaat-Kamerlid voor de PvdA. Het heeft volgens hem alles te maken met het feit dat Nederland  in dit opzicht in zichzelf gekeerd is geraakt. Dat de  industrieën die sinds de (her)industrialisatie na de  Tweede Wereldoorlog in Nederland toonaangevend- zijn geweest nu het punt naderen waarop zij  technologisch volgroeid zijn, betekent nog niet  dat technologie in zijn totaliteit haar dynamiek  aan het verliezen is. De bakens moeten echter wel  ingrijpend worden verzet.

 

Technologische volgroeiing betekent dat andere  landen, de Aziatische tijgers bijvoorbeeld, onze  industrie in de wereldmarkt kunnen gaan verdringen omdat zij zich ‘onze’ technologie hebben  meester gemaakt. Philips bijvoorbeeld moet zich  daardoor op het gebied van research omvormen  van een ‘technology driven’ bedrijf, dat gewend  was te werken in een aanbodeconomie, tot een  ‘market driven’ bedrijf in een vraageconomie. De  compact disc is waarschijnlijk de laatste technisch  revolutionaire uitvinding die te danken is aan het  ongebreideld fundamenteel onderzoek van Philips Natlab en die haast probleemloos door de  markt is geabsorbeerd, omdat het Nederlandse  elektronicaconcern immers ‘de uitvinder’ en dus  de eerste was. En zelfs toen kon de koppositie alleen zeker gesteld worden door een strategische  samenwerking met het Japanse Sony.

 

Financiering van R&D

 

Terwijl de technologische vaart verdwijnt en het  steeds moeilijker is een uitvinding te doen die niet  snel door anderen kan worden geïmiteerd, nemen  R&D-kosten steeds meer toe. Nu Philips niet  meer het aanbod kan dicteren maar achter de veranderende   vraag aanholt, kan zij zich niet meer de  risico’s permitteren van grootschalig fundamenteel onderzoek zoals men bij het Natlab altijd gewend is geweest.

 

‘De tijd die verstrijkt tussen fundamenteel onder-  zoek en commerciële toepasbaarheid is te lang  voor een normaal bedrijf. Philips kan dat niet  meer op eigen kracht. Alleen Shell nog wel’, meent  ex-minister van EZ, drs. Gijs van Aardenne, tegenwoordig voorzitter van het NIVR (Nederlands  Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart) en van ECN (Energie Centrum Nederland)  en medeauteur van het WD-verkiezingsprogramma. ‘Daarom moet de overheid een aantal  lange-termijndoelen definiëren op het gebied van  fundamenteel onderzoek. En verder is er een consistente financiering nodig. We hebben met onze  GTI’s (grote technologische instituten) en met  TNO een goede intellectuele, maar geen goede financiele infrastructuur. Neem nu het NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium). Externe opdrachten genoeg uit binnen- en buitenland. Maar je moet altijd ook iets van jezelf in huis  hebben, en dat betalen opdrachtgevers niet, want  ze gaan er juist vanuit dat je dat al hebt. Het NLR  heeft die basiskennis in huis. Dat soort kennis kan  echter alleen door de overheid worden gefinancierd. We moeten er van af dat technologiebeleid  in dit land conjunctuurpolitiek is; alleen als het  slecht gaat met de industrie, is er veel politieke  aandacht voor. Dat is het griezelige ervan.’  Dr. van Gelder van het VNO vindt in dit verband  de afschaffing van de Instir (innovatiestimuleringsregeling van het ministerie van EZ) een dieptepunt in het technologiebeleid van het vertrek-

 

bijschrift ‘Nederland gaat niet ten  onder aan concurrentie  met lagelonenlanden.  De concurrentie komt uit  landen die meer hebben  geïnvesteerd in technologie, niet alleen in  materiele technologie,  maar vooral in kennis en  onderwijs’, prof.ir. Van  der Ploeg.

 

kende kabinet. ‘Na de komst van de Instir zag je  het aantal octrooien toenemen en nu zie je dat er  weer minder uitvindingen worden geoctrooieerd.  Kennelijk heeft Nederland een constante prikkel  nodig.’ Gelukkig heeft de regering nu op aandringen van VNO een regeling gemaakt waarbij bedrijven R&D-kosten terugkrijgen via vermindering  van de af te dragen loonbelasting; ‘want Nederland kan niet bij het buitenland achterblijven’, benadrukt Van Gelder. ‘In Nederland werd vorig  jaar 8 procent van de bedrijfs-R&D door de overheid betaald. In Duitsland is dat 11 procent en in  Frankrijk 20 procent. In absolute termen besteden  de Duitse en de Franse overheid natuurlijk gigantisch veel meer aan bedrijfs-R&D.’

 

Afstoten overheidstaken

 

Volgens Van der Ploeg moet Nederland een technologiegebied opzoeken waarin het koploper is  om te midden van economische grootmachten een

 

 

(Bijschrift ‘Na de komst van de  Instir zag je het aantal  octrooien toenemen en  nu zie je dat er weer  minder uitvindingen  worden geoctrooieerd.  Kennelijk heeft  Nederland een constante  prikkel nodig’, dr. Van  Gelder.)

 

positie voor de eigen industrie veilig te stellen. Onderzoek op het gebied van milieu – het klinkt inmiddels bijna als een cliché – kan voor de 21ste eeuw  hetzelfde gaan betekenen als het fundamentele onderzoek in de natuurkunde heeft betekend tijdens  de tweede helft van de 20ste eeuw: een grotendeels  onontgonnen terrein van kennis waarop Neder-  land weer technologisch koploper kan worden.  Van Aardenne: ‘Milieutechnologie is op zichzelf  geen gebied van fundamenteel onderzoek, maar  natuurlijk wel een thema waarop wij onderzoek-  doelen kunnen kiezen die liggen binnen de nieuwe vakgebieden zoals micro-elektronica, biotechnologie, nieuwe materialen, telematica en energiebesparing.’

 

Maar voordat Nederland toe komt aan het goed  op poten zetten van nieuwe technologie, moet  eerst een macro-economisch conflict opgelost  worden, meent Van der Ploeg. Hij schetst dat als  volgt: ‘De uitstoot van arbeid uit de traditionele  ‘harde’ industriële sector door de voortdurende  technologische vernieuwing heeft ervoor gezorgd  dat relatief steeds meer mensen werken in de –  doorgaans publieke – dienstverlening, waar weinig technische vernieuwing mogelijk is omdat het   nu eenmaal ‘mensenwerk’ betreft. Omdat de lonen in de publieke sector meegroeien met die in de private sector, soupeert de publieke sector een  steeds groter deel op van het nationaal inkomen  Dat leidt tot budgettaire spanning – het financieringstekort en hoge sociale lasten. De enige m:  nier om die scheefgroei weer recht te trekken is c  publieke sector te verkleinen door afstoten va  overheidstaken.’  Er liggen wat dat betreft mogelijkheden op het gebied van onderwijs. Marktwerking in het onderwijs is denkbaar door introducering van het  profijtbeginsel, het meer zelf zorgdragen voor studiefinanciering en het beperken van de financiering van overheidswege door ‘vouchers’, dat wil  zeggen studierechten die men opsoupeert. ‘Dat  voorkomt diplomashoppen, liftgedrag en studeren om het studeren’, aldus Van der Ploeg. Studenten zullen meer geneigd zijn datgene te studeren waarin later ook emplooi is te vinden en dat  zou de aantrekkingskracht vergroten van het  technisch-universitaire onderwijs.

Toegepast onderzoek in verdomhoek

Dat er meer techniek moet worden gestudeerd  staat voor Van der Ploeg vast: ‘Nederland gaat  ten onder aan concurrentie met lagelonenlanden. De concurrentie komt uit landen die net  hebben geïnvesteerd in technologie, niet alleen in  materiele technologie, maar vooral in kennis en  onderwijs.’

 

Kader ‘Verkort huidige  studieduur’

 

Van der Ploeg: ‘Wetenschappelijk onderwijs moet  optimaal toegankelijk zijn, maar er moet ook een  goede selectie zijn van excellence. Verkort daarom  de huidige studieduur met een jaar. Het geld dat je  daarmee vrijmaakt, is voor vervolgstudies die alleen voor de beste studenten toegankelijk zijn. Dat  is een beter systeem om talent naar de oppervlakte  te halen dan het verlengen van de studieduur, wat  een ad hoc maatregel is.’  ‘De voltooide verkorte basisstudie geeft HBO-ers  evenals universitaire studenten recht op een titel.  Daarmee voorkom je dat HBO-ers vanwege het verkrijgen van een titel nog twee jaar op de universiteit dingen gaan leren die ze al weten. De voltooide  basisstudie geeft toegang tot een vervolgstudie  naar keuze. Dat is aantrekkelijk voor mensen die na  hun basisstudie eerst een aantal jaren gaan werken  en dan tijdens hun loopbaan behoefte krijgen aan  afronding van hun academische opleiding. Dat zijn  trouwens de best gemotiveerde studenten. Een  scheikundige kan besluiten dat het gezien zijn  loopbaan goed is verder te studeren in management of psychologie. Dat geeft handen en voeten  aan zowel het idee van ‘education permanente’ als  aan het idee dat wetenschap interdisciplinair behoort te zijn.’

(einde kader)

 

Dat beamen ook de medewerkers Evert Elbertse  en dr. Wim van Gelder van het VNO. Technologieontwikkeling in Nederland gaat altijd gebukt  onder de notie dat wetenschap alleen wetenschap  is als zij volledig onafhankelijk, waardenvrij en  ongebonden is, niet alleen in ideologisch opzicht  maar ook in commercieel opzicht. Omdat het bedrijfsleven vrijwel nergens is betrokken bij het  vaststellen van onderzoekdoelen (via bijvoorbeeld onderzoeksponsoring), zit toegepaste wetenschap per definitie in het verdomhoekje en  wordt er meestal niet projectgericht gewerkt.  In het buitenland wordt wetenschappelijk onderzoek in dienst gesteld van nationale ambities zoals  dat bijvoorbeeld het geval is geweest met de ontwikkeling van de lucht- en ruimtevaart in Frankrijk; Airbus en Arianespace zijn twee ondernemingen van wereldformaat. Elbertse: ‘Wij doen  niet dat onderzoek waarmee je als gemeenschap  geld kunt verdienen. Een octrooi heeft in Nederland gewoon minder status dan een wetenschappelijke publicatie.’

 

Nederland heeft niet zulke nationale ambities, bevestigt Van der Ploeg ook: ‘Maleisië heeft als doel  dat 60 procent van de studenten een bètastudie  moet volgen. Bij ons kiest hooguit 20 procent een  exacte studie. Techniek, dat is bij ons voor de sulletjes, de ‘eggheads’, de eitjes.’ In het veranderen  van dat beeld schiet de overheid schromelijk te-  kort door de ‘Kies exact’-campagne te richten op  meisjes terwijl er net zozeer behoefte is aan meer  jongens die ‘exact’ studeren.

 

Natie van beleidsmakers

 

Het feit dat de overheid een ‘traditioneel’ beeld  uitdraagt van de industrie, vergroot al evenmin de  populariteit van techniek onder jongeren die voor  hun beroepskeuze staan. ‘Industriebeleid is gericht op meer van hetzelfde, de oude industrie.  Terwijl ik juist doel op ‘industry’ in de Angelsaksische betekenis: nijverheid, dynamiek, op zoek  naar nieuwe dingen’, zegt voorzitter Gerard van  Dalen van de Vakcentrale voor Middelbaar en  Hoger Personeel (MHP). ‘Onze’ industrie, dat is  de industrie waar de vaart uit de technologische  ontwikkeling is. Van der Ploeg: ‘Die industrie  heeft onbedoeld ook haar eigen graf gegraven  door de voortdurende arbeidsuitstoot als gevolg  van technologische vernieuwing in het verleden.  Dat betekent een sterk geslonken politiek en  maatschappelijk draagvlak, terwijl die sector juist  uitermate belangrijk is voor de nationale economie.’

 

Met het propageren van een traditioneel beeld  versterkt de overheid onder jongeren de Fukuyama-doctrine. Platgezegd: dat alles wat er valt uit te  vinden, nu wel zo’n beetje is uitgevonden. ‘En Nederland is daardoor vervolgens verworden tot een  natie van beleidsmakers’, sneert Van der Ploeg.  ‘Men stelt Nederland wel eens voor als een schip.  In de machinekamer is het akelig leeg. Op de brug  daarentegen wemelt het van de stuurlui. Maar op  de wal ziet het werkelijk zwart van de beleidsmakers die vertellen hoe er gestuurd moet worden. ’  We zijn een beetje bang geworden voor technologische vernieuwing. ‘De overheid moet duidelijk  maken dat biotechnologie, genetische modificatie, niet alleen iets controversieels is, met de stier  Herman. Bier is ook biotechnologie’, aldus Van  Dalen. Hoe traditioneel de opvatting van de overheid over industrie is, werd Van Dalen pijnlijk  duidelijk toen er binnen de Sociaal Economische  Raad werd gesproken over het middellange-ter-  mijnbeleid. ‘Geen van de departementen heeft een  duidelijk beeld, laat staan een kostenraming, als  het gaat om de ontwikkeling van elektronische infrastructuur in Nederland. Er bemoeien zich allerlei departementen mee, maar niemand doet iets.  We moeten voorkomen dat straks de een links  rijdt op de elektronische snelweg en de ander  rechts.’

 

Bot protectionisme

 

De angstvalligheid die zich van Nederland lijkt te  hebben meester gemaakt, uit zich niet alleen in  een ouderwetse, te beperkte opvatting bij de over-

 

(Bijschrift octrooi heeft in  Nederland gewoon min-  der status dan een  wetenschappelijke publicatie’, E. Elbertse.)

(Bijschrift ‘Geen van de departementen heeft een duidelijk beeld, laat staan een  kostenraming, als het  gaat om de ontwikkeling van elektronische  infrastructuur in  Nederland’, G. van  Dalen.)

 

heid van industrie en in een massale vlucht van  jongeren in studierichtingen voor beleidsmakers  (economie, rechten, bedrijfskunde), maar ook in  bot protectionisme van het bedrijfsleven zelf, aldus Van der Ploeg.

 

‘De concurrentie komt niet voornamelijk uit de  Derde Wereld, waar de lonen laag zijn, maar uit  Europa, de VS en Japan, waar de lonen even hoog  zijn als hier. Desalniettemin zitten onze grenzen  potdicht voor Derdewereldlanden, wat alleen  maar betekent dat wij als consument voor veel  producten te veel betalen. Als wij de Derde Wereld ongehinderd naar Nederland zouden laten  exporteren, ontstaat daar op den duur vanzelf een  afzetmarkt voor Nederlandse producten. Protectionisme frustreert alleen maar de ontwikkeling  van de welvaart.’ Van der Ploeg verwijst de pleidooien van Timmer en Van der Zwan om de nationale industrie te beschermen tegen buitensporige  prijsconcurrentie resoluut naar de prullenmand  ‘Protectionisme in laagconjunctuur beschermt  leen de ‘lame ducks’ uit het verleden en frustreert  nieuwe economische activiteiten.’

 

Van Dalen (MHP): ‘Werkgevers zien loonmatiging als een middel om te voorkomen dat industrie verdwijnt naar lagelonenlanden. Tegen die lage  loonkosten valt niet op te matigen. Dat is een achterhoedegevecht dat bij voorbaat verloren is.  kunt de veranderingen in de internationale ;  arbeidsverdeling niet tegenhouden. Voortdurend:  hameren op loonmatiging, wat de werkgevers :  doen, getuigt van gebrek aan elan. Verkleining  van het bruto-nettotraject is wel nodig, maar n  de oplossing. We moeten nieuwe producten l  denken die niet in lagelonenlanden nagemaakt  kunnen worden, met name op het gebied van  telecommunicatie en de informatietechnologie.  Van Gelder (VNO) beaamt weliswaar de noodzaak van het aanboren van nieuwe (export-)markten met nieuwe producten, maar loonmatiging  nodig om de industrie de luchtte geven die zij nodig heeft om zich te hergroeperen. ‘Door verlagen  van de belasting en sociale lasten moeten wij in  huidige economie de kosten met 20 procent kunnen verlagen’, stelt hij. ‘Daarmee moeten wij lucht  scheppen voor broodnodige innovatie. ’

 

Wat Van der Ploeg betreft gaat de overheid de lastendruk verplaatsen van arbeid naar milieu; de  bijvoorbeeld energieheffing compenseren met lagere inkomstenbelasting. Of het aanstaande Kamerlid daarmee de handen bij de werkgevers  elkaar krijgt, valt te betwijfelen, maar in elk geval zou het milieuvriendelijk consumeren en produceren op die manier worden bevorderd en kan  die duurzame goederen een exportpositie word’  opgebouwd.

 

Bijschrift   Assemblagelijn in  Singapore; ‘de concurrentie komt niet voornamelijk uit de Derde  Wereld, waar de lonen  laag zijn, maar uit  Europa, de VS en Japan’,  Van der Ploeg.  

 

De lngenieurnr. 7-26 aprii 1994