Categorie archief: Geen categorie

Een businessmodel kan dus niet amoreel zijn. (Het einde van Uber, Facebook e.v.a.)

Een businessmodel kan dus niet amoreel zijn. Ik zeg nadrukkelijk: amoreel en niet: immoreel. Immoreel, dat is als je willens en wetens het slechte nastreeft. Dat is niet zo. Google en Facebook en al die andere platformen noemen zichzelf ‘neutraal’. Dat kun je wel willen, maar de samenleving als geheel kan op enig moment gewoon ergens een streep trekken en gaan vinden dat jij aan de verkeerde kant van de morele grens staat en dat is wat Google nu overkomt.
Dit is hoe het begint: Adverteerders die veel hebben geinvesteerd in hun merkreputatie willen niet worden gezien naast de meest wanstaltige filmpjes. Het is dan wel ‘bereik’, maar het is het bereik van een poster tegen kindermishandeling in een virtuele martelkamer. Wat al die wizzkids uit Silicon Valley niet begrijpen is dat de wereld niet meritocratisch is, dat het geboorterecht van exceptioneel talent je niet het recht geeft om te doen en te laten wat je wilt. Wat ze onderschatten is hoe gemakkelijk het is een reputatie te vernietigen in een split second met negatieve exposure. Bekijk dat filmpje dat een Uberchauffeur maakte van Travis Kalanick. Diens verwijt dat mensen ‘niet moeten klagen maar verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eigen rotzooi’, gericht tegen zijn chauffeurs die, opgezadeld met hoge schulden van de aanschaf van een auto, worden afgeknepen doordat Uber eenzijdig tarieven verlaagt, dat verwijt explodeert nu in Kalanicks gezicht. Het is namelijk Kalanick die ‘geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen rotzooi’ en niet de onmachtige pseudowerknemers – stukloonslaven – van Uber.
De tijd breekt dus aan dat de platformen en apps verantwoordelijkheid moeten gaan nemen voor hun rotzooi. Dat geldt ook voor AirBnB dat wonen in steden onbetaalbaar maakt voor de eigen bevolking. De hele geidealiseerde deeleconomie is niet meer dan een geldmachine voor de nieuwe rijken die een sociaal spoor van verwoesting trekt door de levens van gewone mensen.
In de negentiende eeuw had je de spoorweg- en textielbaronnen, staalbaronnen en later oliebaronnen. Elke golf van technologische innovatie brengt zulke cowboys voort. Op enig moment maakten de autoriteiten een einde aan hun onbegrensde macht en eigenrichting, vaak gealarmeerd door (communistische) agitatie of geweld van onderop zoals de anarchistische bomaanslagen. Het populisme is het hedendaagse anarchisme.
De hedendaagse anarchobom heet dashcam en als het een beetje meezit betekent deze het einde voor Uber en dat is dan een wijze les voor de rest van de superapps en megaplatforms. Een zoekmachine is dan gewoon een publicatie die zich aan de regels van het maatschappelijk fatsoen moet houden en die bepalen wij met zijn allen dankzij sociale media waardoor wereldmerken ook binnen een splitsecond weten dat ze op de gevarenzone afkoersen in reputatieland. Dan dreigt wat ze ook wel een boycot noemen, ook al zo’n uitvinding uit de negentiende eeuw. De hedendaags boycot heet ‘ontvrienden’ of ‘dislike’. Een zoekmachine is dus niet neutraal. Het is een publicatie die ‘verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen shit’ met dank aan Travis Kalanick voor de copy. Leve de vooruitgang!

A boycott of Google by some of the world’s largest companies will cost it more than $750 million a year, analysts have predicted. Advertising revenues from YouTube, Google’s video platform, will…
THETIMES.CO.UK

Voorlopig komt de elektrische auto de stad niet uit (Het Financieele Dagblad, zaterdag 9 apri 2016)l

elektrische-auto

Dus een Kamermeerderheid wil dat wij over tien jaar alleen nog maar in elektrische auto’s rijden. Wie wil weten wat voor consequenties dat heeft voor onze omgeving moet eens een kijkje nemen in de Duitse bruinkoolmijnen. Daar graven machines zo groot als flatgebouwen de bruinkoollaag weg compleet met oude dorpen en al, een maanlandschap van vele tientallen vierkante kilometers achter zich latend.

Nu wordt dat hele landschap wel weer netjes heringericht, maar het geeft een indruk van de omvang van de dagbouwmijnen die nodig zouden zijn als wij de verbrandingsmotor massaal inruilen voor elektrische tractie. Elektromotoren, batterijen en elektronica in het algemeen vergen namelijk aanzienlijke hoeveelheden zeldzame aardmetalen. De meest opvallende eigenschap van deze metalen is dat zij niet zeldzaam zijn. Ze zijn overal te vinden. Bij wijze van spreken in je achtertuin. Je zou beter kunnen spreken van lage dichtheid ertsen: rijk ijzer erts bevat tot meer dan 80% ijzeroxide, bij zeldzame aardmetalen liggen die concentraties tussen de 3% en 10% en komen in het erts vele elementen voor wat raffinage bewerkelijk maakt. Van sommige metalen ligt de concentratie in het erts ver onder de 1%. Dus moet je geweldige hoeveelheden grond omspitten en bewerken om er wat van te winnen.

Ik noem Duitsland als voorbeeld omdat het voor u en mij dichtbij is en omdat het verduurzaming door elektrificatie hoog in het vaandel heeft. Wil je werkelijk zien hoe het er aan toe gaat bij de winning en raffinage van – om er een paar te noemen lanthanium, cerium, neodymium, praseodymium, samarium of terbium, reis dan naar Taobou in Binnen-Mongolië waar zich waarschijnlijk de grootste gifbelt ter wereld bevindt, een ecologische ramp vergelijkbaar met de moedwillige drooglegging van het Aralmeer (door landbouwirrigatie). Vooralsnog dus exporteert Europa de milieugevolgen van een duurzame elektrificatie naar China.

En het echte werk moet nog beginnen: er worden nu enkele honderdduizenden elektrische auto’s per jaar geproduceerd op een totale autoproductie van zo’n 90 miljoen exemplaren waarvan 17 miljoen in Europa. Wereldwijd werden in 2015 ruim 400.000 elektrische auto’s verkocht en er rijden er nu zo’n 1,1 miljoen rond op 1,2 miljard.

Dat betekent als wij bij de huidige stand der techniek in Europa op zelfvoorzienende wijze via elektrificatie willen verduurzamen, we bereid moeten zijn met van die voort gravende bruinkoolflatgebouwen ons gehele continent zo ongeveer om te schoffelen voor de benodigde aardmetalen.

Je kunt tegenwerpen dat dit slechts een moedwillig apocalyptische projectie is omdat de techniek voortschrijdt en technische vooruitgang heeft altijd oplossingen gebracht. Maar datzelfde argument geldt voor de klimaatwetenschap die dit alles in beweging heeft gezet. Ook klimaatmodellen zijn slechts angst inboezemende projecties, momentopnamen gemaakt met de stand van de kennis op dit moment.

Wie zich een beetje in de kwestie verdiept stuit op allerlei veelbelovend onderzoek dat de massale doorbraak van de elektrische auto op een milieuvriendelijke manier mogelijk moet maken. En ook windenergie want dynamo’s zijn in principe identiek aan elektromotoren, ze worden alleen aangedreven in plaats dat ze aandrijven. Zonder permanente magneten en dus zonder zeldzame aardmetalen kun je ook elektromotoren maken, namelijk met elektromagneten. Alleen zijn die vooralsnog veel grotere en zwaarder (want je hebt veel koper nodig) en stukken minder krachtig en efficiënt want de elektromagneten zorgen voor extra stroomverbruik. Vandaar dat neodymium wordt gebruikt in elektromotoren met permanente magneten. Er wordt ook gezocht naar allerlei tussenoplossingen: nieuwe elementen, slimmer magnetiseren, betere softwarematige besturing om allerlei ongewenste magnetische invloeden, zwerfstromen en wat dies meer zij te voorkomen of te onderdrukken.

De LED-lamp, de continu variabele transmissie van DAF, de Quooker kokendwatertapkraan, elk willekeurig technologisch vernieuwend industrieel product vergde zo’n 25 tot 50 jaar om vanaf idee, via research, proof of principle, prototype, demonstratiemodel en uiteindelijke certificatie naar kinderziektevrije serieproductie te ontwikkelen.

Het duurt nog wel even voordat de elektromotor en de generator waar geen neodymium in zit even goed zijn als die met dat metaal. Lithium gebruiken voor een batterij is minder schadelijk dan nickel maar ook lithiumwinning is milieuvervuilend. En dus rijden we niet allemaal volgend jaar duurzaam elektrisch. Het bouwen van lichtgewicht carbonfibre carrosserieen van elektrische auto’s om te compenseren voor het gewicht van batterij en motoren, kost veel meer energie dan het maken van een stalen koetswerk en ook carbon hergebruiken kost veel energie.

Elektrische auto’s zullen daarom voorlopig een nicheproduct blijven. Ze zijn uitstekend voor stadsvervoer: vaak optrekken en remmen. Zet ze in als taxi en bestelauto. Een elektromotor levert bij elk toerental zijn maximale koppel en kan remenergie terug leveren aan de batterij. En hij zet daarom ongeacht rijstijl 85% van de verbruikte energie om in arbeid. Een verbrandingsmotor (levert bij constante belasting een rendement van 50%) zet in de stad al gauw niet meer dan 15% van de tankinhoud om in arbeid. In de stad heb je veel stopcontacten. Je kunt volstaan met een kleinere batterij. Dat scheelt wederom zeldzame aardmetalen. Juist daar kun je wind- en zonnestroom goed bufferen in autobatterijen hetgeen de hele stroomvoorziening stabieler en betrouwbaarder maakt.

Het is goed te bedenken dat de hele ‘transitie’ van een fossiele energievoorziening naar een ‘duurzame’ energievoorziening vooralsnog slechts neerkomt op een verschuiving in de mijnbouw van kolen, olie en gas naar delfstofwinning: ook mijnbouw. Dus, gaten boren, graven en hakken, op grote schaal, in de natuur. Een zo mogelijk nog grotere technische opgave is het terugwinnen van die elementen uit onze afgedankte spullen want ook in die afvalstromen zijn hun concentraties akelig laag. Ook dat vergt weer heel veel energie.

Laat beleid daarom in de pas lopen met de stand der techniek. Vergaloppeer je niet aan ambities waarvan zonneklaar is dat die toch niet gehaald worden en die de desillusie in wat politiek vermag alleen maar nog groter maken.

 

Erwin van den Brink/Het Financieele Dagblad, zaterdag 9 april 2016 (Opinie)

 

Een nieuw leven voor V&D: multi-minifabriek – van detailhandel naar detailnijverheid: de gerobotiseerde stad

Een nieuw leven voor V&D

 

V&D_Zeist_ZwartWIt_Hogeweg

(Nieuwe technologie zorgt uiteindelijk voor nieuwe banen)

De zo gevreesde ‘robot’ (zie rapport van het Rathenau-insituut en komende SER-advies) gaat de industriële nijverheid terugbrengen in de binnensteden. Minimanufacturing heeft de toekomst. De moderne versie van de oude huisnijverheid – die van het spinnewiel en het weefgetouw – bedient zich van machines die in een winkel passen. De hakkenbar wordt weer volwaardige schoenmaker. De toekomst is ‘taylormade’. Detailhandel wordt detailnijverheid.

Daar ligt de toekomst van de winkelstraten waar nu zo’n bres wordt in geslagen door het faillissement van V&D, DA en Macintosh. Een filiaalhouder van V&D antwoordde op de radio op de vraag of Vroom en Dreesmann niet al lang een beetje suf was, dat er met het assortiment niks mis is: Hij had in de buurt rondgekeken in wat confectiezaken en, echt, V&D heeft heus de laatste mode. En dat is nu juist het probleem: de laatste mode vind je overal, vooral ook in webshops.

Het is tijd voor een herwaardering van het begrip ‘exclusief’. Een product wordt begerenswaardig juist als het voor andere mensen niet te verkrijgen is. Prijsvorming is daarvoor een manier. Een andere manier is er gewoon maar een exemplaar van maken. Een fysieke winkel kan straks alleen nog bestaan omdat je er dingen koopt die online niet te koop zijn omdat ze nog niet bestaan. Omdat ze worden gemaakt waar je bijstaat. Helemaal volgens jou wensen. En dat kan steeds beter dankzij machines die we robots noemen.

Een exemplaar is mooi, maar dan moet het wel betaalbaar zijn. Dat kan nu de industriële automatisering rijp is om de sprong te maken van de zakelijke markt naar de consumentenmarkt dankzij technologieën zoals mechatronica en rapid prototyping die zich vanaf begin jaren negentig in de maakindustrie hebben ontwikkeld tot wat we nu robotica noemen, culminerend in de bewierookte 3D-printer in al zijn variëteiten. Machines zoals operatierobots die nu worden gebruikt bij hersenoperaties evenaren de fijnmotoriek, de oog-hand coördinatie van de neurochirurg. In de industrie besturen zogenoemde visionsystemen die machines en het ultieme visionsysteem komt in de zelfrijdende auto. Dat zal de kosten van machinebesturing naar beneden drijven.

RoboTender kopie
De robotender, een robot als barman.

 

Naarmate de elektromechanica en software in prijs daalt komen ze binnen handbereik van het midden- en kleinbedrijf. De nieuwe ambachtelijkheid vraagt vooral creativiteit, vaardigheid in communicatie en vindingrijkheid om nieuwe toepassingen te bedenken.

Het is nu al mogelijk u een maatpak aan te meten dat klaar is terwijl u wacht dankzij 3D-scanners. Reshoring, het terughalen van kledingproductie uit lage lonenlanden, is een actueel thema in de kledingbranche. Door de toenemende mogelijkheden van productieautomatisering dalen de kosten in de kledingindustrie terwijl de lonen in Azië stijgen. Het gesleep met al die spullen in containerschepen de halve wereld over en de enorme kosten van voorfinanciering van voorraad en vervolgens het als onverkoopbaar afboeken van een groot gedeelte van die voorraad, de zogenaamde uitverkoop, zorgt voor enorme verspilling in de confectie-industrie. Machines die enkelstuks bijna even goedkoop maken als batchproductie gaan de ‘waste’ uit de econome knijpen en brengen nieuw leven in de stad.

Haarlem geldt als een zeer gemiddelde stad. Wat er tussen 1950 en 1990 verdween uit de stad en naar de rand werd verplaatst waren: kleermakers, een reeks drukkerijen en uitgeverijen, automobielbedrijven, smederijen, een brouwerij, zuivelfabriek, vier ziekenhuizen, een drijfriemenfabriek, vele bioscopen, een scheepswerf, machine- en hijskranenfabriek, een fabriek voor spoorwegmaterieel, een chocoladefabriek, een limonade- en frisdrankenfabriek.

Op menig plaats was de grond vervuild. Die moest worden gesaneerd, zodat er woningen op konden worden gebouwd. En waar dat niet exploitabel was, kwamen er winkels en zakelijke dienstverlening. En er werd, zeker tot aan 1980, gedacht in schaalvergroting en functiescheiding. Er kwam een heel groot ziekenhuis buiten de stad, de industriële bedrijven – als ze nog een toekomst hadden – verhuisden naar een nieuw bedrijventerrein.

Juist V&D stond aan de basis van die ontwikkeling. De heren Vroom en Dreesmann openden in 1896 aan de Korte Veerstraat in Haarlem het Magazijn de Zon, de eerste winkel met een bovenverdieping, en dus met afdelingen, zoals een warenhuis. V&D zette later een veel groter pand neer aan de overkant van die straat en toen ook dat te klein was gaf de firma in 1927 architect Jan Kuijt opdracht om een kilometer verderop een enorm gebouw neer te zetten in een Amerikaanse ‘wolkenkrabber’-stijl, met liften en roltrappen, dat veel controverse opriep maar dat archetypisch is voor heel veel V&D-filialen die Kuijt in Nederland zou bouwen.

 

 

(Geproduceerd door OK_TV (www.oktv.nl) i.o.v. City Marketing Haarlem. )

In Haarlem is het gebouw een icoon geworden omdat er een verhaal aan vast zit: het conflict met drogist Van der Pigge. Die weigerde zich door Vroom en Dreesmann te laten uitkopen en dus restte het (inmiddels) warenhuisconcern niets anders de wolkenkrabber letterlijk om het pand van Van der Pigge heen te bouwen. Het conflict inspireerde de toneelschrijver Herman Heijermans tot het toneelstuk De Opgaande Zon. Dat gaat over de ongelijke strijd van een kleine neringdoende tegen het grootkapitaal. In het verhaal loopt het met de eerste slecht af.

0072
V&D in Haarlem. Hoe Verwulft, voorzijde waar de bomen staan, met de Gierstraat. Het pand van Van der Pigge zien we rechts onder in de foto, omklemd door het V&D-gebouw.

 

Maar de drogisterij van Van der Pigge bloeit nog steeds terwijl zowel V&D als drogisterijketen DA over de kop zijn. Al die jaren heeft Van der Pigge trouw en gestaag zijn klandizie met puntzakken drop, etherische oliën en met de hand gevijzelde kruiden, alles afgewogen, gelukkig gemaakt.

Nu is er met het concept ‘warenhuis’ iets aan de hand. In het Engels heet het ‘departmentstore’, dus een winkel met gescheiden afdelingen voor categorieën producten, maar het is ook vertaald vanuit het Engelse ‘warehouse’, pakhuis, dat in feite een tijdelijke opslag is van geïmporteerde goederen. Pakhuizen huisvestten nieuwe, vreemde, exotische goederen vanuit de hele wereld die nieuwsgierigheid wekten en dat is ook het effect dat warenhuizen wilden oproepen aan het begin van de twintigste eeuw toen stoomschepen en -treinen betaalbare massagoederen die in fabrieken overal ter wereld waren geproduceerd naar hier konden brengen.

De verleidelijkheid bestond er uit dat het warenhuis een venster op de wereld bood met exotische spullen van heinde en verre. Die kosmopolitische exclusiviteit van het nieuwe, bijzondere is het warenhuis al lang geleden verloren.

Een overlevingsstrategie is het om te vormen tot een bazaar die onderdak biedt aan allerlei lokale miniproducenten, een industrieel bedrijfsverzamelgebouw zoals er voor de zakelijke dienstverlening in het mkb ook zijn. Het warenhuisconcern draait zijn logistieke keten dan als het ware 180 graden om: in plaats van importeren kan het gaan exporteren, iets waar kleine bedrijven vaak niet aan toe komen.

Wie er oog voor heeft ziet die trend naar schaalverkleining en authenticiteit en individualisering overal. Het begon met de terugkeer van de warme bakker. De grote drukkerijen hebben in de binnenstad plaatsgemaakt voor allerhande copy- en printshops. Haarlem heeft weer een brouwerij midden in de stad, in een café notabene. In de rijwielbranche en in de automobielindustrie is er een gestage opmars van kleine producenten van maatproducten die (fiets) in de stad zitten of (auto) er dan toch wel heel dicht tegen aan, denk aan Donkervoort.

De schaalverkleining wordt hier voortgedreven door het steeds goedkoper worden van drie technologieën: het beter en sneller en veelzijdiger worden van designsoftware en software die de effecten van bijvoorbeeld stroming en belasting modelleert (de windtunnel zit in je laptop). Ten tweede wordt de tooling goedkoper en ten derde zijn er nieuwe materialen die gemakkelijker te verwerken zijn zoals vezelversterkte kunststoffen.

Honderd jaar geleden zat koetsenbouwer Beynes midden in Haarlem. Toen Beynes treinen, trams en bussen ging bouwen werd dat een enorme fabriek. In 1950 werd die verplaatst naar een industrieterrein. De zucht naar design en bijzonderheid creëert niches voor een nieuwe generatie koetsenbouwers, meubelmakers, makers van allerhande spullen, die zich met hun robotica de stad in wurmen.

En daarmee is de cirkel van de Industriële Revolutie dan ten lange leste helemaal rond.

 

Ondernemen met natuurkunde: New Venture, feature (Robert Visscher) 2013, nr. 9-10

Nederland, Nijmegen, 10-02-11 Afric Meijer. © Foto Merlin Daleman
Nederland, Nijmegen, 10-02-11
Afric Meijer.
© Foto Merlin Daleman

50_51_ING09_10_New Venture

 

Ondernemen met natuurkunde

 

Dankzij Terahertzstraling nagaan of een appel beurs is en er wel genoeg bier in een flesje zit. TeraOptronics ontwikkelt hiervoor een innovatieve camera en was daarmee een van de winnaars van New Venture.

 

Een opmerking van een leverancier zorgde voor de start van het innovatieve bedrijf TeraOptronics van dr. Afric Meijer. Voor zijn promotie-onderzoek aan de Radboud Universiteit had hij namelijk een camera nodig die infrarood, zichtbaar licht, en ultraviolet kon detecteren. ‘Een leverancier zei tegen mij: Was er ook maar een draagbare terahertz camera om die straling te meten. Dat zou een gat in de markt zijn.’

Meijer promoveerde in de natuurkunde in 2008, deed daarna nog twee jaar lang een postdoc, maar al die tijd spookte wat de leverancier had gezegd door zijn hoofd. ‘Des te meer ik leerde over terahertzstraling, hoe meer overtuigd ik raakte dat het kon. In de avonduren begon ik daardoor tijdens mijn postdoc al te werken aan een businessplan. Het sprak me enorm aan om nieuwe dingen te leren over ondernemen, commercieel te denken en ook nog technisch onderzoek te blijven doen.’

Twee jaar geleden zette Meijer TeraOptronics op, een bedrijf dat draagbare Terahertzcamera’s ontwikkelt. ‘Terahertzstraling zorgt ervoor dat we door dingen heen kijken. Het heeft dus Röntgeneigenschappen, maar maakt geen biologisch weefsel kapot en is dus ook niet schadelijk voor de gezondheid.’

Het werkt als volgt: Een bron zendt terahertzstraling uit, die vervolgens door een materiaal heen gaat. ‘Aan de andere kant bevindt zich de camera die wij ontwikkelen. Die leest de inhoud van het voorwerp af, doordat bepaalde stralen reflecteren of minder sterk doorkomen. En daardoor wordt een afbeelding van de binnenkant van een materiaal gemaakt.’

Dat is bijvoorbeeld handig bij het controleren van groente en fruit. ‘Al in een vroeg stadium detecteert terahertzstraling een beurse plek in een appel.’ Of neem doosjes met medicijnen. De terahertzcamera gaat na hoeveel pillen er in een doosje zitten. In de toekomst ziet hij waarschijnlijk ook de chemische samenstelling ervan, zodat niet per ongeluk de verkeerde medicijnen in een doosje belanden.’ Terahertzstraling dringt alleen niet door water – en dus ook niet door mensen heen, omdat wij immers voor een groot deel uit water bestaan.

TeraOptronics won in 2011 een van de drie prijzen in de New Venture competitie. Die is opgezet om beginnende bedrijfjes met een briljante, technische innovatie te helpen een bedrijf op te zetten.

‘Ik heb veel geleerd tijdens de New Venturecompetitie. We kregen een coach met veel ervaring in het bedrijfsleven. Jury’s hielden voortdurend onze plannen kritisch tegen het licht. Daardoor gingen we veel beter nadenken over hoe snel we de camera op de markt moeten brengen. Als de concurrentie ons te snel af is, zijn we te laat. Daar hadden we eerder te weinig bij stil gestaan. Daarnaast leerde New Venture ons om beter na te denken over onze leveranciers. Welke onderdelen halen we waar vandaan en kan dat goedkoper? Van wie zijn we afhankelijk voor de productie van de camera?’

Dat soort tips had Meijer nodig. ‘Ik was tijdens mijn promotie gewend om fundamenteel onderzoek te doen, naar de interactie van moleculen en atomen op snelle pulsen. Ik ging daarvoor heel precies na wat de interactie is van het licht met die kleine deeltjes. Toen ik een eigen bedrijf startte verklaarde ik niet langer fenomenen, maar dacht ik na over de verkoopbaarheid en hoe ik de camera kleiner kon maken. Maar daar wist ik natuurlijk nog niet veel van af.’

De gouden tip van Meijer is daarom om zoveel mogelijk hulp te zoeken. ‘Spreek je netwerk aan. Ik kreeg naast tips voor het maken van een business plan van New Venture, ook hulp van de Radboud Universiteit en familieleden met een eigen bedrijf. Dat was onontbeerlijk. Daarnaast ben ik vrij snel in zee gegaan met twee compagnons, die veel kennis hebben van juridische en financiële zaken. Zij vullen mij aan. Dankzij al die hulp, kan ik de Terahertzcamera maken.’

Meijer werkt momenteel aan een prototype, dat aan het eind van dit jaar af moet zijn. ‘Daarna wordt de camera getest bij onze launch customer, die systemen maakt om biervulmachines te controleren. Zij gaan met de camera na of genoeg bier in de flessen zit. Nu bestaat er nog geen toepassing om de vulhoogte te controleren. Daarmee laten we hopelijk zien dat onze camera werkt en overtuigen we ook anderen. Terahertzstraling is nog vrij onbekend. Maar we denken met dit pilotproject potentiële klanten te overtuigen, bijvoorbeeld in de agrofood sector.’

Van zijn beslissing om een eigen bedrijf te beginnen heeft Meijer geen moment spijt gehad. ‘Soms is het frustrerend, als iets toch niet gaat zoals ik dacht. Maar dan zet je door en komt het goed. Ik leer iedere dag nieuwe dingen bij over het runnen van een bedrijf. Bovendien doe ik nog steeds technisch onderzoek. Ik doe van beide steeds meer kennis op en daar ben ik nog lang niet op uit gekeken.’

 

 

Kom naar de Grande Finale New Venture op 27 juni

Veel Nederlandse ingenieurs zitten barstenvol met goede ideeën, maar weten vaak niet hoe ze met hun innovatie een succesvol bedrijf moeten opzetten. Terwijl dat juist Nederland uit de crisis kan helpen. New Venture is een businessplancompetitie, die mensen met innovatieve ideeën helpt hun uitvinding op de markt te brengen. Deelnemers krijgen intensieve begeleiding van coaches en worden beoordeeld door een ervaren jury.

Geïnteresseerd in ondernemen, jonge start-ups en nieuwsgierig naar de winnaars? Meld je dan nu aan voor de prijsuitreiking op 27 juni en ontmoet de innovaties van de toekomst! De uitreiking wordt afgesloten met een uitgebreide borrel, waarbij je in contact kunt komen met investeerders, (jonge) ondernemers, juryleden en coaches van New Venture. Je bent van harte uitgenodigd, ook als je zelf niet meedoet aan de wedstrijd!

Datum: 27 juni 2013 vanaf 15.30 Locatie: ABN AMRO Bank N.V., Gustav Mahlerlaan 10, Amsterdam.

Meld je aan via http://grandefinalenewventure20122013.entranz.nl/

 

 

 

Kader: oud-winnaar en hoe het er nu voorstaat.

De knuffelcouveuse Babybloom van industrieel ontwerper ir. Heleen Willemsen won in 2008. Deze couveuse is veel comfortabeler dan conventionele modellen. Licht en geluid worden gereduceerd en het kan eenvoudig over het bed worden gezet. De certificering kwam dit jaar rond. Onlangs werden twee couveuses in gebruik genomen in het Onze Lieve Vrouw Gasthuis in Amsterdam. Later dit jaar gaat de Babybloom de grens over, naar vijf landen. In totaal heeft het bedrijf al contact met meer dan vijfhonderd distributeurs. www.babybloom.nl

 

Kader 2

Internetprehistorie – Jak Boumans – recensie (nr.4, 22 maart 2013)

Internetprehistorie

 

Internetprehistorie

Internetprehistorie

Als je zoals publicist en consultant Jak Boumans zo’n veertig jaar om je heen hebt gekeken in de wereld van de digitale informatievoorziening, dan moet de neiging om het allemaal eens goed te boekstaven onbedwingbaar zijn. En dus heeft Boumans, die ook jarenlang over digitale media publiceerde in De Ingenieur, het allemaal opgeschreven in het boek Toen digitale media nog nieuw waren – pre-internet in de polder (1967-1997)

Boumans is een feitenjunkie en een techie en dus krijgen we een minutieuze beschrijving van alle ontwikkelingen gedurende deze periode. Het is een wat opsommerig boek dus je moet wel van de thematiek houden. Maar als dat het geval is, dan is het boek een feest der herkenning, een nostalgische reünie met al die ontwikkelingen en gebeurtenissen die allang weer vergeten zijn: videotex, de cd-i (interactief), bulletin board systemen, akoestische modems. Het beeld dat er uit opstijgt is dat van vallen en opstaan maar vooral heel veel vallen in een aaneenschakeling van miskleunen: zeer vermakelijk in retrospectief.

Boumans laat zijn pre-internetgeschiedenis van de digitale media eindigen op 1 januari 1997. Waarom is niet helemaal duidelijk. In 1997 verdwenen de informatiedienst Videotex Nederland en Memocom om op te gaan in World Acces/Planet Internet, maar zo wereldschokkend was die gebeurtenis niet. Het World Wide Web, de toepassing die internet echt deed inburgeren bij brede lagen van de bevolking, werd al uitgevonden in 1991.

De rode draad voor zover die valt te ontdekken in het chronologische relaas, is dat allerlei bedrijven commerciële kansen roken en dachten dat de consument daar op zat te wachten. Dat viel tegen, vooral omdat veel van die technologie allerminst uitblonk door gebruiksgemak.

Een sleutelrol in Boumans’ boek is weggelegd voor de markante Pierre Vinken, de bestuursvoorzitter van uitgeefconcern VNU. Want al snel probeerde de klassieke uitgevers een voet tussen de deur te krijgen in een wereld die (nog) werd gedomineerd door staatsbemoeienis. De televisiewereld, waarin de Mediawet de overheid een allesoverheersende rol gunt, en de oude telefoniewereld van het staatsbedrijf der PTT wisten de anarchistische internet- annex computerwereld een tijdlang buiten de deur te houden: de uitgevers van gedrukte media moesten het doen met ASCII-databanken (die hoekige lettertjes op een monochroom scherm) zoals de Nederlandse Pers Databank, met alle berichten en artikelen van het ANP en de landelijke dagbladen, was voor professioneel journalistiek gebruik en niet openbaar.

Er was een tweestromenland, volgens Boumans: aan de ene kant de bestanduitwisselende computerwereld met ASCII (American Standard Code for Information Interchange)en aan de andere kant de (Europese) telefonie en televisiewereld die met Videotex (in Nederland Teletekst) aan de slag wilde. Via de druktoetsen van het telefoontoestel moest de gebruiker tekstpagina’s kiezen op het televisiescherm: niet echt handig.

De (commerciële) krantenuitgevers zagen Teletekst als een ‘grafisch’ (tekstberichten) communicatiemedium, maar de toenmalige (linkse, PPR-) minister Van Doorn van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) beslist dat de publieke omroep Teletekst zou vullen. Hoewel Teletekst en in Frankrijk Minitel een succes werd, zijn het toch zeer geïsoleerde toepassingen in een wereld die stormenderhand werd verover met behulp van techniek zoals ASCII, het FTP/IP-protocol,het World Wide Web, browser, zoekmachines , platformen als Youtube, Facebook, draadloos internet, smartphones en tablets.

Er is kortom nogal wat gebeurd na 1997. ‘Toch meen ik dat er sinds de doorbraak van internet als digitaal platform een betrekkelijke rust heerst, de Internetbubble van 2000 daargelaten.’ Of de digital natives van begin twintig dat met deze oude rot eens zijn, valt te betwijfelen, maar het boek is ook voor hen verplichte historische kost.(EvdB)

Jak Boumans: Toen digitale media nog nieuw waren• Media Update Vakpublicaties • 320 blz. • € 37,50 • ISBN 978 90 07877300 5 7.

(beeldmateriaal)

 

(Internetprehistorie-Hitch hiker.jpg)

De Hitchhiker’s Guide to the Galaxy.

 

(Internetprehistorie-allesovercdi.jpg)

Promotie van de CD-i.

 

(Internetprehistorie-apestaartje.jpg)

Poster van Euronet met het apenstaartje.

 

(Internetprehistorie.jpg)

 

 

Oosterschelde, recensie ( 28 november 2008, nr 19)

Oosterschelde

Oosterschelde

 

En zo krijgt de Oosterscheldekering misschien toch nog het krediet dat hem toekomt. De Deltacommissie 2 onder leiding van oud-minister Cees Veerman schrijft in zijn recente rapport immers dat op termijn de Zeeuwse zeegaten weer open moeten, om de groeiende hoeveelheid rivierwater te kunnen afvoeren. Want behalve ons bewust zijn van het gevaar van overstroming door de zee zijn we ons inmiddels ook bewust van het gevaar van overstroming door hoge rivierstanden.

Daarnaast is er ook ervaring opgedaan met de milieugevolgen in de zeegaten die een geheel dichte dam hebben. Het uitspoelen van overbemeste landbouwgronden in West-Brabant heeft in de loop der jaren geleid tot achteruitgang van het natuurlijke milieu in de zeegaten waarin het zoute getijdesysteem veranderde in stilstaand zoetwater.

Journalist Paul de Schipper laat in het boek De slag om de Oosterschelde zien dat de protesten tegen de afsluiting van de Oosterschelde niet vanuit de milieubeweging ontstonden in de loop van de jaren zestig en zeventig, maar dat er onder de plaatselijke bevolking eigenlijk al van meet af aan onlustgevoelens broeiden omdat een dichte dam het einde zou betekenen van de visserij die in de Zuiderzee immers ook was verdwenen nadat die na de aanleg van de Afsluitdijk veranderde in een zoet meer.

Het boek is vooral het epos van de Aktiegroep Oosterschelde Open. Veel leden van die actiegroep zijn nu oud en een aantal van hen leeft niet meer. De Schipper benadrukt de authenticiteit van de actievoerders. Ze zijn geen van allen gaan behoren tot wat hij het milieu-establishment of de Groene Maffia noemt. In feite heeft de actiegroep zich ontbonden nadat het pleit voor een open stormvloedkering was beslecht en heeft ieder toen weer de drad van zijn gewone leven opgepakt.

Het boek is vooral lezenswaardig voor mensen die een grote nostalgische affiniteit hebben met die periode. Het is een zeer gedetailleerd journalistiek verslag waarin heel veel mensen aan het woord komen. Groot pluspunt: het boek heeft dan ook een namenregister.

In zijn volledigheid wordt het echter wel knap langdradig: een flinke 500 pagina’s. Het is een nog al beschrijvend boek. Opinierend is het wel in die zin dat de auteur grote sympathie heeft voor de actiegroep maar geen stelling neemt in de essentiele vraag of die Stormvloedkering nu wel of geen goede beslissing is geweest. Want hoewel de dam ‘open’ is, heeft hij de getijdewerking toch drastisch verminderd en de milieugevolgen daarvan zijn niet uitgebleven. Het aantal schorren en slikken vermindert doordat de stroming door de nauwe gaten veel krachtiger is en zandval veroorzaakt, een geleidelijk proces waarbij zand van de rand van de platen in de stroomgeul verdwijnt.

Wat betreft techniek en veiligheid heeft de Stormvloedkering zich na 23 jaar dient behoorlijk bewezen. Er hebben zich nooit onoverkomelijke technische gebreken geopenbaard. De pijlers staan nog steeds kaarsrecht en steevast. Er bestond aanvankelijk vrees dat de dam zichzelf zou kunnen wegspoelen door de enorme stroming door de gaten.

Ecologisch is de kering een twijfelgeval omdat de verminderde getijdewerking de Oosterschelde toch heeft aangetast. Echter, vast staat dat een dichte dam het milieu veel erger aangetast zou hebben. Het zou daarom interessant zijn om na te gaan of er met de kennis en ervaring die met de Oosterscheldekering is opgedaan en met de wetenschap dat we de hermetisch gesloten zeerarmen wellicht moeten heropenen om de toenemende hoeveelheid rivierwater af te voeren, een afsluitbare open kering is te ontwikkelen met een veel grotere doorlaatbaarheid dan de Oosterscheldekering. Jammer dat De Schipper ons die blik in de toekomst niet gunt.(EvdB)

PAUL DE SCHIPPER: DE SLAG OM DE OOSTERSCHELDE ● ATLAS ● 496 BLZ. ● € 24,90 ● ISBN 978 90 450 0048 0

Wees niet gehoorzaam. De Stellingname (hoofdredactioneel in NWT, 8, 2008)

20090603-tank-cole-1000px8, 2008

 

Tekst Erwin van de Brink

 

Duitsers komen vooral af op de in hun ogen hogere kwaliteit van de kleinere Nederlandse universiteiten. De omvang van de gemiddelde Duitse universiteit is aanzienlijk groter en het onderwijs daarom onpersoonlijker. Wat vanuit Duitsland naar hier komt is niet de middelmaat, maar de betere tot briljante student. Dat je hier ‘jij’ kunt zeggen tegen een professor, ervaren veel Duitse jongeren als een bevrijdende openheid.

Voor Chinezen is onze onderlinge vrijpostigheid een nog grotere cultuurschok. Dat is overigens niet waar zij op af komen. Chinezen komen naar het Westen om kennis op te doen, met name technische en natuurwetenschappelijke kennis, en ze komen hier omdat er veel meer wordt les gegeven in het Engels dan in landen als Frankrijk of Duitsland.

In een interview in de GPD-kranten gaf Ai Wei Wei, mede-architect van het Olympisch Stadion in Peking, lucht aan zijn verontwaardiging over de propaganda die de Chinese regering met de spelen heeft bedreven. Hij vond met name de openingsceremonie van een stalinistische zo niet nazistische allure. In wansmaak gegoten mythevorming van een totalitaire staat. Over de Chinese jongeren is hij dan ook kort. Die zijn dom in de zin van: gedesinformeerd.

Hoe ervaart zo’n jonge Chinees, vraag je je af, het intellectuele klimaat in Europa waar klimaatscepticus Fred Singer (zie pagina 48) de afgelopen zomer in een lezingencyclus ageerde tegen het Europese beleid om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Waar Marcoen Cabollet tien jaar kon werken aan een proefschrift over een fundamentele nieuwe theorie die de algemene relativiteitstheorie en de quantummechanica op losse schroeven moest zetten, alvorens zijn promotie een paar dagen van tevoren werd afgeblazen (zie pagina 63).

Over deze meest dramatische gebeurtenis van het afgelopen academisch jaar in Nederland valt van alles te zeggen. De kans dat iemand in zijn eentje zo’n beetje de natuurkunde herschrijft is uiterst klein maar kan ook niet weer worden uitgesloten. Wat er ook op Cabollet valt af te dingen: je kunt van hem niet zeggen dat hij dociel is.

Dat is precies waar het volgens Ai Wei Wei aan schort bij Chinese jongeren. En nu is de vraag: worden onze wetenschappelijke instellingen met de groeiende instroom van Chinezen steeds meer Chinees – gehoorzamer, volgzamer – of worden die Chinese studenten ‘Europees’ eigenwijs, mondig, tegendraads, en zo men wil, subversief. (En wat vindt de Chinese regering daar dan weer van). Welke kant gaat het balletje oprollen? Dat lijkt mij een interessante vraag, gegeven de huidige reproductiefactor van de Nederland – 1,7 kind per vrouw – en een sterk vergrijzende academische bevolking.

 

 

 

 

 

KEES LE PAIR EN IR. KEES DE GROOT BEDENKEN REDDINGSPLAN VOOR INDUSTRIE ‘Meer zeggenschap voor technici in bedrijven’

Den Haag, 26 juni 2008. Kees de Groot (l) en Kees Le Pair (r).
Den Haag, 26 juni 2008. Kees de Groot (l) en Kees Le Pair (r).

 

56_59_INGR13_Interview

[STEMPEL SPECIAL ARBEIDSMARKT]

 

 

Het Interview

 

 

tekst erwin van den brink

foto’s jordi huisman: www.jordihuisman.nl

 

 

  1. KEES LE PAIR EN IR. KEES DE GROOT BEDENKEN REDDINGSPLAN VOOR INDUSTRIE

 

‘Meer zeggenschap voor technici in bedrijven’

 

De toegenomen macht van het snelle geld en de zucht naar het vlugge rendement hollen de Nederlandse industrie uit en moeten aan banden worden gelegd, vinden dr. Kees le Pair en ing. Kees de Groot. Zij mobiliseerden binnen KIVI Niria medestanders en formuleerden een advies: ingenieurs moeten actiever zijn in het bedrijfsbestuur, via de ondernemingsraad en door aandeelhouderschap.

 

Ze maken zich zorgen, dr. Kees le Pair en ir. Kees de Groot. Ze waren zorgeloos aan het zeilen in de Caraïben, beide heren in ruste, maar er knaagde iets: het gaat niet goed met de Nederlandse industrie. ‘Zo is Corus overgenomen door Tata met geleend geld, dat vervolgens als schuld op de balans van het staalbedrijf in IJmuiden is gezet’, geeft Le Pair als voorbeeld. ‘Nu hoor ik van verschillende kanten dat bij de R&D de hand op de knip wordt gehouden, omdat het bedrijf zucht onder die schuld. De bezuinigingen zijn zo drastisch dat afdelingen daardoor zelfs tijdelijk hebben stilgelegen. Ik ben op de hoogte van een aantal incidenten en die baren mij zorgen.’

Het is een veel voorkomend patroon: de zittende aandeelhouders worden duur uitgekocht en profiteren, het topmanagement krijgt bonussen, en de overnemende partij wordt niet arm van de overname omdat hij die financiert met geleend geld. Die schuld wordt geparkeerd bij het overgenomen bedrijf en vervolgens afbetaald door winstgevende delen van het bedrijf te verkopen of door sterk op kosten te besparen en dus minder te investeren.

Erger nog zijn activistische aandeelhouders, zoals hedgefondsen die Le Pair en De Groot aandeelhandelaars noemen. Die zijn niet geïnteresseerd in het houden, bezitten van aandelen, maar slechts in het verhandelen, in het snel geld verdienen met koerswinst. De Groot: ‘Bedrijven die winst maken, goed gekapitaliseerd zijn, betekenisvolle producten maken, werkgelegenheid bieden en kennis genereren, verdwijnen, alleen omdat een hedgefonds eist voor de aandeelhouders door opsplitsing en verkoop een kortetermijnwinstje te behalen en vervolgens allerlei beloften over continuïteit niet nakomt. Daardoor wordt een groot maatschappelijk kapitaal vernietigd dat de basis vormt van onze economie. Een bedrijf belichaamt altijd een investering in de verdere toekomst. Er zit potentiële kennis in die op korte termijn niets oplevert en als het ware niet op de balans zichtbaar is, zoals een goede R&D-afdeling. Door die weg te bezuinigen ontneem je het bedrijf een belangrijke groei- en continuïteitsfactor.’

De Nederlandse regering heeft geen industriebeleid, vindt Le Pair. ‘Daarmee bedoel ik dat we onvoldoende een economische structuur koesteren die bestand is tegen veranderingen in de wereld en waarmee we als land in een bepaalde mate zelfvoorzienend zijn. Als wij niets meer kunnen maken, dan halen we onze spullen uit China en India, maar wat leveren wij ze dan nog terug? Creativiteit en management? Dat houdt op den duur geen stand. De kracht van een land wordt gevormd door een evenwichtige betalingsbalans met het buitenland, dus door voldoende export tegenover de import. Export zit vooral in goederen en in diensten door bedrijven, in industriële activiteiten voor een belangrijk deel. Om te zorgen dat wij nu, maar ook in de toekomst, de wereld een aantrekkelijk palet aan Nederlandse goederen en diensten kunnen bieden, is het nodig in die bedrijven de continuïteit voor de langere termijn te waarborgen. Bedrijven moeten zich onderzoek waarbij de kosten altijd voor de baten uitgaan, blijven permitteren. Als je stopt met research, gaan de kosten omlaag en de winst omhoog, maar is grote schade aangebracht aan het toekomstig verdienpotentieel van het bedrijf.’

Met de nieuwe wet op de structuurvennootschap hebben aandeelhouders meer invloed gekregen. Er was destijds veel kritiek op de macht van de zittend bestuurders, het old boys network van commissarissen die elkaar benoemden en zo elke verandering tegenhielden. Het lijkt een beetje op de privatisering van de Amsterdamse taxibranche; dat was ook zo’n dichtgetimmerde wereld. Door de liberalisatie begaven zich allerlei chauffeurs van bedenkelijk allooi op de markt. Ook in de industriële overnames begeven zich partijen met bedenkelijke intenties. ‘Cowboys’, noemt De Groot ze. ‘Wat nu gebeurt bij ASMI is een grote schande. Aandeelhouders dwingen het bedrijf een onderdeel waarin een veelbelovende toekomstige technologie zit, af te splitsen. Ze houden een melkkoe over, maar die blijft dat alleen zolang die niet leeg is gemolken.’

De Groot is niet tegen overnames op zich, want die horen bij een dynamische economie. ‘Je moet niet ten koste van alles behouden wat je hebt. In onze scheepsbouwindustrie die door een diep dal is gegaan, werken nu weer 31 000 mensen. Het gaat er beter dan ooit. Dat kun je niet zeggen van een heleboel grote werven in het buitenland die met exportsubsidies in leven worden gehouden.’

 

ADVIES

De Groot en Le Pair besloten na die zeiltocht waarin zij hun zorgen deelden, iets te doen. Ze schreven een brief aan de president van ingenieursvereniging KIVI Niria, ir. Jan Dekker. Het hoofdbestuur vroeg daarop de Raad Wetenschap, Techniek en Maatschappij (RWTM) van KIVI Niria om advies. Er werd een bijeenkomst belegd waaraan behalve de RWTM-leden ook Dekker en enkele prominenten deelnamen, onder wie drs. Aad Jacobs, oud-bestuursvoorzitter van ING en oud-president-commissaris van Shell, prof.drs. André Kampfraath, commissaris bij een groot aantal ondernemingen, en prof.dr. Alfred Kleinknecht, hoogleraar Economie en Innovatie aan de TU Delft. Daar bleek een grote mate van eenstemmigheid en bezorgdheid te bestaan over de door De Groot en Le Pair aangekaarte problematiek.

De RWTM vindt dat het regime van de oude structuurvennootschap ‘dat uitging van balans tussen de belangen van alle stakeholders (aandeelhouders, maar ook werknemers en de maatschappij als geheel) te snel, maar vooral al te rigoureus is afgedankt’. Weliswaar is onder de huidige wet- en regelgeving wangedrag bij bedrijfsovernames gerechtelijk aan te vechten, maar dat instrumentarium is onvoldoende: het is alleen achteraf toepasbaar als het kwaad, dat veelal onomkeerbaar is, al is geschied.

Het hoger kader van bedrijven toont weinig belangstelling voor de ondernemingsraad (or) die middelen heeft om de gang van zaken te beïnvloeden. Ingenieurs moeten hier de hand in eigen boezem steken; ze zouden meer in de or moeten participeren. Hoge beloningen en bonussen voor het management werken het scoren op de korte termijn in de hand: goede kwartaalresultaten die de beurskoers omhoog jagen. Maar voor de langere termijn is het veel belangrijker dat medewerkers, vooral cruciale, zoals technici in de industrie, mede-eigenaarschap verwerven in de vorm van aandelen en opties. ‘Het genus technicus gedijt het best in een cultuur waar continuïteit hoog staat aangeschreven’, luidt een van de aanbevelingen. Voor ingenieurs is vooral van belang dat alleen eigenaren met een langetermijnvisie bereid zijn te investeren in technologische kennis voor continuïteit en innovatie. Aandelen die voortdurend van eigenaar veranderen mogen geen stemrecht meer geven. De zeggenschap in bedrijven moet worden beperkt tot aandeelhouders die hun stukken bij het bedrijf hebben geregistreerd en die hun stukken langer dan een bepaalde tijd (bijvoorbeeld een jaar) in bezit hebben. Stemrecht op aandeelhoudersvergadering via machtigingen of op basis van geleende aandelen moet verboden worden. Ook mag de overnemende partij het bedrijf dat wordt overgenomen, niet meer opzadelen met de schuld die is aangegaan om de overname te plegen. Dit zogenoemde doorlenen mag pas als de overname langer dan vijf jaar geleden is. Zo is het bedrijf de eerste vijf jaar beschermd tegen financiële uitholling. Bedrijvenhandel (overnemen, opknippen en delen doorverkopen) moet minder aantrekkelijk worden gemaakt door het invoeren van een winstbelasting voor zulke handelsondernemingen. Het moet afgelopen zijn met de ‘ergerlijk buitensporige bonussen’ voor het zittende bestuur dat medewerking verleent aan zulke overnames. In plaats daarvan moet ook het personeel in aanmerking komen voor beloning in de vorm van aandelen en opties; de overheid moet dit laatste fiscaal aantrekkelijk maken.

De aanbevelingen die de adviescommissie doet, hebben niet alleen betrekking op de boze buitenwereld. Ingenieurs zelf, de technische specialisten die het hoger kader vormen, moeten grip krijgen. Ze moeten actiever worden in het bedrijfsbestuur, niet alleen via de ondernemingsraad maar ook als mede-eigenaar door aandeelhouderschap. Op hun niveau is er een veel beter begrip van het kenniskapitaal. Neem Stork waarvan werd gezegd dat de luchtvaartactiviteiten helemaal losstaan van de activiteiten in de voedselverwerkende machines. Onzin, aldus De Groot. ‘De leiding is niet op de hoogte van de intensiteit van de kennisuitwisseling op technologisch gebied via de werkvloer. Met het vanuit een strategisch perspectief ruwweg opsplitsen maak je veel meer stuk dan je aan de oppervlakte ziet.’ Le Pair vult aan: ‘Die ingenieurs in ogenschijnlijk geheel verschillende bedrijfsonderdelen kennen elkaar veel beter dan de top van het bedrijf beseft. Op strategisch bestuursniveau denkt men dat er geen synergie is, maar in de dagelijkse bedrijfspraktijk is die er wel degelijk. Zo raakt ook Philips met de afsplitsing van de semiconductoractiviteiten veel kennis kwijt waarvan veel andere onderdelen indirect meeprofiteerden.’

Het advies van de RWTM maakt nog geen einde aan het spoor van verwoesting dat flitskapitaal en -management aanrichten, maar de industrie is erdoor gewaarschuwd.

www.kiviniria.net

 

 

KENGEGEVENS

NAAM

Kees le Pair

LEEFTIJD

72

TITEL

dr.

OPLEIDING

Wis-, Natuur- en Sterrenkunde, Universiteit Leiden

Promotie Natuurkunde, Universiteit Leiden

FUNCTIE

Lid Raad Wetenschap Techniek en Maatschappij (RWTM) van KIVI Niria en vicevoorzitter van de Delftse onderzoeksschool Dimes. Voorheen onder meer oprichter en directeur van technologiestichting STW, voorzitter van de Taskforce ICT, secretaris buitenland van de PSP en correspondent Midden-Oosten voor NRC Handelsblad.

 

KENGEGEVENS

NAAM

Kees de Groot

LEEFTIJD

68

TITEL

ir.

OPLEIDING

Scheikundige Technologie, TU Delft

FUNCTIE

Lid Raad Wetenschap Techniek en Maatschappij (RWTM) van KIVI Niria en adviseur R&D-management. Voorheen onder meer directeur van Shell Research in Rijswijk, voorzitter van de adviesraad voor het technologiebeleid van de TU Delft en lid van het STW-bestuur.

 

 

(QUOTES)

 

‘De bezuinigingen zijn zo drastisch dat afdelingen zelfs tijdelijk stilliggen’

 

‘Wat nu gebeurt bij ASMI is een grote schande’

 

‘Het management is niet op de hoogte van de technische kennisuitwisseling op de werkvloer’

 

Het Grote Goed Nieuwsboek van Simon Rozendaal, recensie (21 december 2007, nr. 20/21)

Hier de PDF van het artikel:

(Bron: http://wondrlust.com/knowledge/what-is-happiness/)
(Bron: http://wondrlust.com/knowledge/what-is-happiness/)

Hier klikkken voor de recensie: Simon Rozendaal

 

 

 

Alles komt goed

 

Boven een interview met Lange Frans en Baas B. in de Volkskrant, enige tijd terug, stond als kop een citaat van de twee: ‘Is het hier dan allemaal zo klote?’ Een retorische vraag. Nee dus. Het glas is niet half leeg, het is half vol. Vindt wetenschapsredacteur Simon Rozendaal van weekblad Elsevier in zijn Het grote goed nieuws boek.

 

Vooral met het milieu in Nederland gaat het beter dan ooit. Met de wereld gaat het volgens hem trouwens ook steeds beter. De toestand in Irak, het moslimextremisme, oorlog en geweld, Rozendaal brengt er statistiek tegen in stelling: ‘in 1950 stierven er nog 700.000 mensen door oorlogen, in 2002 maar 20.000.’

 

Maar laten we ons beperken tot Nederland, Europa of maximaal de westerse wereld. Rozendaal heeft gelijk. In termen van geluk, bestaanzekerheid, rechtzekerheid, welvaart, gezondheid, leven wij in een utopie die onze voorouders honderd jaar of zelfs vijftig jaar geleden niet voor mogelijk hielden. En dat hebben we grotendeels te danken aan wetenschap en technologie. Hij citeert hiervoor bij herhaling uit het grote standaardwerk Techniek in Nederland in de twintigste eeuw.

 

Inderdaad, ons milieu is weer schoon. Dat komt ook doordat we veel vervuiling hebben geëxporteerd naar Azie waar tegenwoordig onze spullen worden gemaakt en waar we veel van ons afval schroot naar toe brengen. En toch worden ze er daar beter van.

 

Minder overtuigend is Rozendaal daar waar hij beweert dat behalve welvaart en welzijn ook de beschaving is toegenomen, met een beroep op Norbert Elias. De uitwassen door het Leger van de Heer in Donker Afrika, de meest vunzige porno in de krochten van het internet…ik ben er nog niet zo zeker van of ‘de beschaving’ in het algemeen toeneemt, zeker niet daar waar een overheid met wetten en regels ontbreekt. Ook een aflevering van De Gouden Kooi op televisie desillusioneert als het gaat om wellevendheid.

 

Het grote goed nieuws boek werkt als aspirine tegen de koppijn die je krijgt van al dat modieuze gelamenteer van opiniemakers. De diepere oorzaak van mijn migraine is de vraag waar ik blijf zitten: waarom toch die voorkeur voor slecht nieuws als er zoveel goeds gaande is? Nederland behoort tot de tien welvarendste landen in de wereld. We zijn volgens een recent VN-onderzoek het gelukkigste volk ter wereld. Waarom zijn er dan toch die azijnpissers die steeds het tegendeel beweren?

 

Daar komt geen antwoord op. Slecht nieuws werkt journalistiek beter dan goed nieuws, weet Rozendaal. Maar waarom dan? Is onze voorkeur voor alarmsignalen, dreiging, soms evolutionair bepaald? Heeft de elite nu de samenleving is geseculariseerd en ook de Koude Oorlog met zijn dreigende atoomapocalyps voorbij is zijn toevlucht gezocht nieuwe hel en verdoemenis in de vorm van bijvoorbeeld klimaatverandering? Heeft zij belang bij angstvisioenen om ons onder de knoet te houden?

 

Maar misschien is de door hem verguisde (milieu-)wetenschap die zichzelf omwille van continuering van subsidies met steeds nieuwe waarschuwingen onmisbaar probeert te maken juist een kenmerk van de democratisering van de wetenschappelijke instituties. We wilden vanaf 1970 immers dat wetenschap ‘maatschappelijk relevant’ zou zijn. Juist omdat we het zo goed hebben accepteren we steeds minder risico’s. We leiden zoals de socioloog Ulrich Beck heeft uitgelegd aan een disproportionele risicobeleving. Je tegen de hoofdstroom van deze publieke opinie keren is politieke zelfmoord in onze mediacratie. Maar wiens schuld is dat?

 

Simon Rozendaal. Het grote goed nieuws boek. Uitgeverij Contact, Amsterdam 2007. € 12,50. (Vanaf 8 november verkrijgbaar).

 

143 pagina’s

 

 

 

Markt werkt soms wel, soms niet: waarom is dat? Het is de technologie! (FD Optiek 6 april 2006)

NS_loc_2207_-_Lovers_Rail,_IJmuiden
Lovers Rail Kennemerstrand Express te IJmuiden (Niels Karsdorp)

 

 

De ene keer is privatisering van een succes, zoals in de telecommunicatie. De andere keer is het een lijdensweg, zoals bij de spoorwegen. Hoe komt dat? Zoek de verschillen! Om Bill Clinton te parafraseren: It’s the technology, dummy! Een technologische doorbraak creëert in een bestaande markt meestal nieuwe ruimte. Dat maakt het voor bestaande partijen gemakkelijker om te accepteren dat er nieuwe concurrenten toetreden omdat die nieuwe technologie de markt verruimt, nieuwe vraag creëert . Als je het zo bekijkt is er geen enkele aanleiding om de energiebedrijven te privatiseren. Ook het afsplitsen van de netten zal er niet toe leiden dat zich in groten getale nieuwe aanbieders aandienen. Wat die nodig hebben is een technische doorbraak waardoor er een parallelle, alternatieve, energiemarkt kan ontstaan.

 

Waarom is de privatisering van de telefonie wel gelukt? Net als bij de privatisering van de spoorwegen was ook hier aanvankelijk een hoop heisa over de toetreding van nieuwe concurrerende partijen tot de bestaande infrastructuur, het vaste lijnennet. Echter, dit probleem heeft zich opgelost doordat zich een nieuwe technologie aandiende: de mobiele telefonie. Die nieuwe infrastructuur die explosief groeit maakt het gemakkelijker voor concurrenten van KPN in de markt te stappen.

 

In de jaren rond de Tweede Wereldoorlog werden trams en buurtspoorwegen verdrongen door de opkomst van particuliere autobusdiensten. De bus was een nieuwe vervoerstechniek die gebruik maakte van een nieuwe infrastructuur, het snel uitdijende (snel-)wegennet. Dat creëerde ruimte voor nieuw particulier initiatief naast het spoor. De openbare weg is gemakkelijker te delen door vele (particuliere) gebruikers dan het spoor. In het systeem heerst in principe geen schaarste zodat de overheid niet regulerend hoeft op te treden in het wel of niet toelaten van vervoerders. Ook toen gold dat technologische vernieuwing de markt verruimde en daardoor marktwerking mogelijk maakte. In de jaren zestig dreigden de particuliere streekbusbedrijven failliet te gaan door de opkomst van de personenauto die dankzij moderne massaproductie snel in prijs daalde. Omdat nog niet iedereen over een auto beschikte en de overheid bereikbaarheid wilde garanderen werden de streekbusbedrijven genaast. Technologische dynamiek kan dus ook leiden tot overheidsingrijpen.

 

Ook in de radio- en televisiewereld zie je dat verband tussen technologieontwikkeling en ontstaan dan wel juist verdwijnen van overheidsbemoeienis. Door de opkomst van (mobiel) breedbandinternet is het mogelijk radio en televisie te verpreiden buiten de door de overheid gecontroleerde omroepkanalen om. Die verruiming van mogelijkheden leidt tot een explosie van nieuw particulier initiatief. Notabene KPN, het voormalige staatstelefoonbedrijf dat is geprivatiseerd, begeeft zich in de vrije markt van het verspreiden van televisie-inhoud via Internet en het mobiele telefoonnet. De oude omroepkanalen maken gebruik van de ‘ether’, het uitzenden via de FM en de VHF/UHF-band waarin schaarste domineert en derhalve de overheid regulerend dient op te treden met een Agentschap Telecom en een Commissariaat van de Media, een anachronistische goede-smaak-politie. Op die overheidsbemoeienis is het oude omroepbestel gebaseerd dat nu zijn langste tijd heeft gehad. Zelfs de KRO begint met podcasting via www.devrijekro.nl

Want ook hier geldt dat technologische vernieuwing de markt verruimt en daardoor marktwerking mogelijk maakt. Mobiel breedband internet is in feite een parallelle infrastructuur naast de oude ether. Een nieuwe ‘ether’, die in principe een oneindig aantal zenders kan accommoderen en waarin de overheid dus niet kan optreden als rechtvaardig verdeler van schaarste.

 

Daarom denk ik ook dat de privatisering van de energievoorziening ons niet veel heil gaat brengen als er niets verandert aan de technologie. Er moet net als met het wegennet, het mobiele telefoonnet en het omroepbestel een nieuwe parallelle infrastructuur komen waarop nieuwe aanbieders zich vrijelijk kunnen ontplooien als concurrent en alternatief voor de huidige aanbieders.

De stroom uit uw stopcontact komt nu grotendeels van centrales die draaien op gas of kolen of uit het buitenland. Op het moment dat de prijs van fossiele energie uit de pan rijst zou er een bedrijf kunnen komen dat microwarmtekrachtcentrales plaatst bij particulieren. Zo’n centrale kan een HR-ketel zijn die een stirlingmotor aandrijft, een gasmotor of miniturbine of dieselaggregaat. Die dingen zijn stil en kunnen in de toekomst ook draaien op biobrandstof bereid uit plantaardige of zelfs slachtafval.  Misschien loont het ook wel om gewone fossiele diesel of benzine van Shell of BP te gebruiken. Immers het systeem leidt tot een brandstofbesparing van ongeveer 25%. Er moet wel een ‘olieboer’ langskomen die de tank regelmatig bijvult. Zodra mensen daar vertrouwen in hebben kan een parallel systeem ontstaan, een alternatief voor de Essents en de Nuons.

In wijken waar het huishoudelijk afval wordt afgevoerd via vacuümleidingen zou de gemeente het afval kunnen verbranden in een mini-avi die stroom en warmte opwekt die direct kunnen worden (terug-)geleverd aan de wijkbewoners van wie het afval afkomstig is. Wie de zaterdagboodschappen doet koopt, uitgedrukt in het gewicht, eigenlijk voor de helft pure brandstof: namelijk al het verpakkingsmateriaal. Het scheelt je in de afvalheffing want je bent nu immers ook brandstofleverancier. Schaalverkleining zorgt voor kortere afstanden en dat maakt het vervoer van brandstof heen en energie terug eerder rendabel.

Dat zijn daadwerkelijke alternatieven voor de consument omdat ze leiden tot substantiële energiebesparing en dus prijsdaling. Zo’n technologische ontwikkeling breekt de markt van onderaf open. Daar hebben consumenten wat aan. Opgelegde privatisering leidt nooit tot marktwerking. Daarom zal de privatiering van de energiemarkt voor de consument ook een farce blijven zolang er geen ‘disruptive technology’ komt die de bestaande marktverhoudingen omver gooit.

.

 

Erwin van den Brink,

Hoofdredactie van het technologietijdschrift De Ingenieur