KIVI 150 jaar (1997) Nederland: het Japan van Europa, Atlantisch georiënteerd

(KLEURBALKJE)

CoverKIVI150

KIVI 150 JAAR

 

 

DE NEDERLANDSE ARBEIDER BEHOORT AL EEUWENLANG TOT DE PRODUC­TIEFSTE IN DE WERELD + ONDER HET MOM VAN ‘FINANCIAL ENGINEE­RING’ WORDEN ALLEEN GELDSTROMEN OMGEBOGEN EN NIEUWE STRIJK­STOKKEN GECREEERD

 

Nederlandse industrie op zoek naar nieuw elan

 

Japan van Europa Atlantisch georiënteerd

 

150 jaar geleden waren we de Chinezen van Europa, nu worden Nederlanders wel vergeleken met Japanners en dat is veel positiever bedoeld. Evenals Japan heeft Nederland een consen­susmaatschappij, met werknemers die bereid zijn tot loonmati­ging. The Dutch poldermodel, kortom. Maar voor bloeiende industrieën is meer nodig: infrastructuur, arbeidsproducti­veit, onderwijs. Waar liggen Nederlands kansen in Europa?

– Erwin van den Brink –

 

De auteur is redacteur van De Ingenieur.

 

‘Het probleem dat wij in het horizontale vlak hebben, NAP minus en plus 1 meter, dat hebben de Japan­ners in het vertica­le’, legt prof.dr. H.W. de Jong uit, emeritus hoog­leraar economie aan de Universiteit van Amster­dam. ‘Japan is bergach­tig met kleine kustge­bie­den. Rijst is basis­voedsel. Het wordt verbouwd op sawa’s, terras­sen die men van bovenaf irri­geert. Als de boven­buurman te veel of te weinig water doorlaat, ondervinden alle rijstboe­ren daaron­der de nadelige gevolgen. Dus je mag in Japan niet alles doen op je eigen land. Onze boeren zijn ook al eeu­wenlang gehouden aan de voor­schrif­ten die de dijk­graaf handhaaft namens het water­schap.’

Een land van matigheid – om niet te zeggen middelmatigheid – waar niet zomaar alles mag, heeft dat een toekomst als indus­trieland? ‘Kijk naar de netto toegevoeg­de waarde per werknemer per jaar’, zegt De Jong, tevens verza­melaar van historische sta­tistiek, ‘en je ziet dat de Neder­landse arbeider al eeuwen­lang tot de produk­tiefste in de wereld behoort. Er zijn indus­triële be­drijven die per werknemer netto minder dan 83 000 gulden waarde per jaar toevoegen, of toe­voegden, zoals Fokker, en bedrijven die boven dit gemiddelde uitko­men. Dus dan weet je ongeveer waar de klappen val­len. Be­drij­ven komen, bedrij­ven gaan. Infra­structuur is voor de industrie de grote con­stante enabling factor, samen met ar­beidsproduc­ti­viteit en oplei­dingsniveau.’

 

Vlaamse spiegel

Prof.dr. Dany Jacobs werkt bij TNO-STB (Studiecentrum voor Technologie en Beleid) en doceert aan de Faculteit Technolo­giemanagement van de TU-Eindhoven. Hij is Vlaming en houdt ons een Vlaamse spiegel voor: ‘In de onenigheid over industriepo­litiek lag de kiem voor de af­schei­ding in 1830 van België. De Belgen wilden industriali­se­ren en daarvoor de grenzen afslui­ten – in die zin dat zij met tolhef­fingen de ontluikende industrie wilden beschermen. Terwijl de Nederlan­ders daar vanuit hun handelstraditie tegen gekant waren. De Twentse textielbaronnen verloren hun pleidooi voor tolmuren, omdat de Amsterdamse kooplui en bankiers daar tegen waren.’

Nog steeds voert België een meer toegewijde industriepo­li­tiek dan Nederland, die bovendien effectiever is. Jacobs: ‘België is verder in het cluster­beleid: je industriële, sterk­e kanten probe­ren te ver­beteren door samenwerking binnen produc­tie­ke­tens. Verder, maar niet altijd beter. Want soms speelt er weer protectie of ook high-tech-snobisme mee, terwijl cluster­beleid wat mij betreft gaat over de kennisintensivering van alle sectoren die telkens anders uitpakt. In die zin is in het alge­meen in heel Europa veel meer sprake van industrie­beleid dan in Nederland – Neder­land is daar altijd heel aarze­lend in geweest. Met RSV, het debâcle van het Rijn-Schelde-Verolme-concern, is Nederland een keer heel ver in het omgekeerde doorge­sla­gen in puur overheids­dirigis­me. Daar hebben jullie een enorme kater aan over­gehou­den.’

 

Continentale benadering

Prof.ing. Walter Zegveld zwaaide tot voor kort de scepter bij de kennisdenktank Rathenau Instituut. Hij heeft niet zoveel op met wat Jacobs de ‘continentale benadering’ van industrie­politiek noemt: actieve bemoeienis, eventueel protec­tie­. Hij maakt het Neder­landse industriebeleid van nabij mee: ‘Als ondernemers dat nou niet oppakken, wie aan de Bezuiden­houtse­weg (het ministerie van Economische Zaken, red.) is daar dan wèl compe­tent voor? Dan krijg je gla­mour­pro­jecten zoals snelle kweekre­actoren of de Concorde.’

Ander­zijds hebben de Belgen hun voorwaardenscheppende beleid beter voor elkaar dan wij. Zegveld: ‘Het Nederlandse SWAP, Software Actie Programma, is gewoon zie­lig. EZ formuleert in de betreffende beleidsnota een geweldig hoog ambi­tieniveau, maar daarvoor zijn dan maar een paar grijpstui­vers beschik­baar. In Neder­land heerst op het gebied van technologie- en industriebeleid volstrekt small thinking.’ Er is niets veran­derd sinds de stadhouder bij de Staten Generaal vergeefs soebatte om de financiering van zijn Duitse huurlin­gen.

Zegveld: ‘TNO doet samen met EZ een project met wel tien bedrijven. Ik val van mijn stoel. Hoeveel bedrij­ven zijn er dan wel niet. EZ voert wel vijf clusterpro­jecten uit. In Duitsland hebben bedrijfsleven en onder­zoek­sinstellingen onlangs 280 voorstellen voor clusterprojec­ten ingediend bij het Ministerium vor Bildung, Forschung und Technologie. Het Nederlandse cluster­beleid dreigt dan óók nog te verzanden in een departe­mentale richtin­genstrijd binnen EZ. We analyseren ons suf in Neder­land en het zijn alle­maal analy­ses achteraf. Dat heeft niets met nieuw beleid te maken, maar alles met het verklaren van de wer­kelijk­heid.’

‘Alleen na de Tweede Wereldoorlog, onder minister Van den Brink en door de commissie Tromp, is écht actief industriali­satiebeleid gevoerd. Onze huidi­ge industrie – de dui­zend bui­ten­landse bedrijven die zich destijds in Nederland ves­tigden – en kennisinfrastructuur zijn toen ontstaan. Op middel­lan­ge termijn komen we onszelf tegen als er niets gebeurt. We moeten investeren in kennis, maar breder dan in enginee­ring, breder dan in bèta. Philips is er bijna aan gegaan, niet doordat ze te weinig bèta-kennis in huis hadden – eerder te veel – maar doordat ze er te veel geld aan uitgaven. En met brede­re kennis bedoel ik dan niet innovaties zoals de click­fondsen in de financiële en zakelijke diens­tverlening, omdat die aan de nationale wel­vaartsontwikke­ling per saldo weinig bijdragen.’

Praat Zegveld niet van financial engineering: ‘Daar worden alleen maar geld­stromen omgebogen en nieuwe strijk­stokken gecre­ëerd. Clickfondsen en dergelijke zijn, in termen van Michael Porter, typisch een verschijnsel van een welvaartsgeo­riënteerde economische ontwik­keling. Maar de echte aanjager van nieuwe welvaart is innova­tie: nieuwe processen en diensten waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van technolo­gie, tele­communica­tie en informa­tise­ring.’

 

Gouden eeuw

Volgens De Jong en Zegveld ligt de oorsprong van onze indus­triële kern­competentie niet in de 19de eeuw (het ont­staan van de hedendaagse werktuig- en machine­bouw), maar in de gouden eeuw. Toen al ontwikkelde zich in de Nederlanden op grond van onze strategische ligging in de internationale handelsstromen de landbouw- en procesin­dustrie; Amsterdam had honderden suikerraffinaderijen en was in feite de grootste raffinaderij ter wereld, zoals Rotter­dam nu het grootste olie­raffinaderij-complex ter wereld heeft.

Zegveld: ‘Vòòr het stoomtijdperk hadden wij de grootste indus­triestad van Europa, namelijk Leiden met zijn lakenindustrie die op windkracht werkte. Er stonden in Leiden en omgeving tiendui­zenden windmo­lens als krachtbron. Waarom waren we daar zo goed in? Omdat we goed waren in het bewerken van hout vanwege het bouwen van al die Oostindiëvaarders.’

De Jong: ‘Zelfs de oprichting van een moderne vliegtuigbouwin­dustrie na de oorlog kun je zien als een noodzaak om te zorgen voor een toele­veran­cier van kapitaalgoe­deren voor de lucht­vaart, vijftig jaar geleden een nieuwe vorm van handel en ver­voer. Dezelfde rol die eeu­wenlang de scheep­sbouw had vervuld.’ Onze indus­trie lag dus altijd in het verleng­de van onze han­delsac­tivi­teiten, waarbij echter de proces­indus­trie de boven­toon voerde.

Misschien zijn Nederlandse bedrijfskundigen daarom zo goed in het beschrijven van industriële productie als vloeiende, on­deelbare processen – het ‘procesdenken’. Een modern softwa­re­bedrijf zoals Baan Compa­ny, we­reld­marktleider in bedrijfsbe­stu­ring en in beurs­waarde nu al even groot als de KLM, is in feite een voortzetting van onze roem­ruchte traditie op het gebied van de procestechniek, aldus Zegveld. Ook al gaat het nu om softwa­re die voortbren­gings­processen bestuurt. ‘Het is méér dan coïncidentie, bezien in het licht van onze tradi­tie op het gebied van de procestechnologie.’

De Jong: ‘Dus waar­om zouden we treuren over wat we niet heb­ben? Onze pro­ductivi­teit is – ook historisch gezien – altijd bui­tenge­woon hoog geweest. In de 15de en 16de eeuw was de pro­ducti­vi­teit in Vlaan­deren en Nederland al vergelijkbaar met die in Italië, en veel hoger dan die in Engeland en Frank­rijk. Au fond gaat dat terug tot dingen zoals een relatief dichtbe­volkt land, veel grote stedelijke cultuur met snelle uitwisse­ling van ideeën en goede verbindingen en opleidingen. Dat zijn de enabling factors, want moge­lijk-zijn wil nog niet zeggen werkelijkheid-worden. Daar­voor zijn onderne­mers nodig. Dat kan de overheid nooit doen.’

 

Buitenbeentje

Die ligging in het kruispunt van handelsstromen van bijvoor­beeld plantaardige èn minerale olie verklaart waarom we Unile­ver en Shell hebben, niet waarom we Philips hebben. De Jong: ‘Dat is een historisch en geografisch buitenbeentje. Philips is de laatste grote producent van consumentenelektro­nica in de westerse wereld. Ik denk overigens dat Philips ergens in de jaren zeven­tig een verkeerde keuze heeft gemaakt – Siemens heeft al twintig jaar geleden afscheid genomen van de consu­mentenelek­tronica en heeft zich gericht op complexe machine­bouw. Uitgerekend ASM Litho, een off shoot van Philips’ core­compe­tence (namelijk lichttechnologie, in dit geval voor chips-etserij), is ver­vreemd. Wafersteppers kunnen alleen worden gebouwd in Neder­land, Duitsland en Japan.’

Aan de netto toegevoegde waarde per Nederlandse werknemer valt Philips’ moeilijke positie ook af te lezen. De Jong: ‘In 1992 stond het gemiddelde per jaar op 83 000 gulden. Toen zat Philips op f 79 500, Fokker zat er onder, NS (f 52 000) en DAF (f 55 000) boerden helemaal slecht. Shell zat boven de f 200 000. CSM, Else­vier, Campina MelkUnie, Coberco halen allemaal meer dan f 100 000.’ Bedrijven die langdurig onder het gemid­delde blijven, leggen op den duur het loodje, aldus De Jong.

In welke maak-industrie zit volgens hem dan wel toekomst? ‘In de auto-industrie spelen we een belangrijke rol als toele­verancier in Noordwest-Europa. We zullen in de 21ste eeuw meer en meer onderdeel worden van een Noordwesteuropees indus­trieel con­glomeraat rond de as Parijs-Berlijn. Daarnaast kunnen we in bepaalde segmenten wereldmarktleiders voortbren­gen, zoals Baan Software dat zich kan meten met SAP (Duit­sland) en Oracle (VS). Im grossem und ganzen doen we dus een beetje mis­troos­tig voor niets.’

Zegveld plaatst enige reserves bij dit Europa zonder grenzen: ‘Ik vind dat we in Nederland sterke spelers op het gebied van de maakindustrie moeten houden. Je weet immers niet hoe het verder met de ontwikkeling van Europa gaat. Mogelijk vallen landen toch weer terug op hun eigen nationale aspira­ties. Je zou kunnen zeg­gen: als Duitsers zo goed zijn in het maken van machines, waarom gaan wij die machines dan niet verkopen, dat kunnen wij weer beter. Laat Fransen en Italianen auto’s ont­werpen, maak ze in Duitsland en laat ze door Neder­landers verkopen: dat gaat uit van een verenigd Europa zonder nationa­le emoties – die toekomst is echter allerminst zeker. Veel diensten die wij produceren zijn ondersteunende activi­teiten van de maakindus­trie elders. Maar zelf niets meer maken is riskant. Als de Britten, Duitsers en Fransen alles zelf maken, dan doen ze het verko­pen ook wel helemaal zelf. Daarom moeten we voorkomen dat nog meer maakin­dustrie weg­vloeit.’

 

Golfoorlog

Jacobs maakte zo’n anderhalf jaar geleden, toen Fokker een publiciteitsslag voerde om te overleven, een rapport over het belang van Fokker voor Nederland. ‘Fokker heeft tot begin jaren tachtig betrekkelijk succesvol geopereerd. Maar innova­toren worden niet per definitie be­loond. Fokker gokte met de Fokker 50 en de Fokker 100 en had aanvankelijk veel succes. Maar door de Golf­oorlog stortte de lucht­vaartmarkt in. Wie kon dat nu voor­zien?’

Een overheid die een vliegtuigindustrie ambieert, moet zo’n bedrijf dus door moeilijke tijden slepen. Jacobs: ‘Econo­mische Zaken is dan ook maan­denlang met Fokker bezig geweest. Het stelde echter te­recht als voor­waarde dat er een commer­cieel perspectief moest zijn, waar ook parti­culiere ondernemers – met hun geld – in zouden gelo­ven.’

Maar, zegt De Jong, de afzet van middelgrote vlieg­tui­gen stond con­junctureel en structu­reel onder druk: wereldwijd een afne­mende vraag bij een toene­mend aantal aan­bie­ders. Van­daar die lage toegevoegde waarde per werknemer als teken aan de wand.

Toch blijft de indruk dat de overheid de KLM, die eveneens met sterke cycli heeft te maken, van veel groter strategisch belang vindt dan Fokker, al is het maar omdat de overheid de enige partij is die de KLM kan voorzien van lan­dingsrechten in het buitenland. In een ‘continentale’ indus­triepolitiek zou de over­heid de KLM gedwongen hebben veel meer Fokkers te kopen als onderdeel van een actief exportbeleid. De KLM is echter altijd vrij geweest in haar materiaal­keuze. Jacobs: ‘Dat hield Fokker wel scherp, maar in Frankrijk was dat bijvoorbeeld wel anders gegaan. Bovendien was Fokker intern een rommeltje, organi­sato­risch, produc­tietech­nisch en qua management.’ Pas de laatste jaren kwam daarin verbete­ring onder de druk van de omstandigheden.

Ondanks aandelen en een commissaris in het bedrijf greep de overheid aanvankelijk niet in: symptomatisch voor de ‘Angel­saksi­sche’ opvat­ting van industriebe­leid op arms leng­th – tenminste als het om maak-industrie gaat. Jacobs: ‘De Fokker-top kon daardoor onge­stoord zijn onder­linge mac­htss­trijd uitvechten zonder tijd te besteden aan strate­gie-ontwik­keling. Dit alles in de veron­derstelling dat het krediet bij de over­heid nooit op zou raken. Achteraf gezien zijn al veel eerder verkeerde strategi­sche managementbeslissingen geno­men. Swart­touw keerde zich van Airbus af. Hij wilde samen met de Ameri­kanen. Dat is typisch Nederlands, die afkeer van de continen­tale – Franse, Duitse – onderne­merscultuur en de voorkeur voor het Atlantische: Shell, Unile­ver, Reed Elsevier. Met Hoog­ovens-Hoesch en VFW-Fokker ging het eerder ook fout. Toen de Ameri­kanen Fokker lieten vallen, bleef niets anders over dan een Allein­gang. In die zin is de loop der dingen histo­risch be­paald.’ Zo staat het Japan van Europa met de industriële rug naar het continent gekeerd.

 

 

(HOOFDFOTO)

 

(BIJSCHRIFT)

 

Fokker had aanvankelijk succes met de F 50 en F 100, maar door de Golfoorlog stortte de luchtvaartmarkt in.

 

(Foto: Willem Middelkoop, Amsterdam)

 

 

(FOTO 2)

 

(BIJSCHRIFT)

 

Het maken van chips. Philips is de laatste grote producent van consumentenelektronica in de westerse wereld.

 

 

(FOTO 3)

 

(BIJSCHRIFT)

 

Rotterdam/Europoort heeft het grootste olieraffinaderijcomplex ter wereld.

 

(Foto: Michel Wielick, Amsterdam)

 

 

(FOTO 4)

 

(BIJSCHRIFT)

 

Prof.ing. Walter Zegveld: ‘In Nederland heerst op het gebied van technologie- en industriebeleid volstrekt small thinking.’

 

(Foto: Michel Wielick, Amsterdam)

 

 

(FOTO 5)

 

(BIJSCHRIFT)

 

Prof.dr. Dany Jacobs: ‘Met RSV sloeg Nederland een keer heel ver in het omgekeerde door: puur overheidsdirigisme.’

 

(Foto: Michel Wielick, Amsterdam)

 

 

(FOTO 6)

 

(BIJSCHRIFT)

 

Prof.dr. H.W. de Jong: ‘Philips is een historisch en geogra­fisch buitenbeentje.’

 

(Foto: Michel Wielick, Amsterdam)